Grote dromers slapen nooit

 

De dag ervoor had ik nog tegen iedereen geroepen dat ik op niemands bevel zou gaan schieten. En mijn lange haar ging er ook niet af. Ik werd uit de groep gehaald, apart geplaatst om de nacht door te brengen en kon de dag erna weer naar huis. M’n geweten had me niet in de steek gelaten.

Op een lullig stationnetje in Ermelo griste ik de Walkman uit mijn tas. Vanaf cassette draaide ik Big Dreamers Never Sleep van Gino Vannelli.

Een dromer met een geweten. Inslapen, dat nooit.

You may say I’m a dreamer. But I’m not the only one.

De duivel in het Zeeaquarium

 

Op de omslagfoto valt een jong Marcootje van een jaar of 13 te zien. Het was de allereerste keer dat ik uit het Real Book wat jazz op een podium voor publiek speelde. Locatie: Zeeaquarium, Scheveningen.

Ik denk dat ik op het bewuste optreden slechts een paar nummers gespeeld heb, tot veel meer was ik niet in staat. Maar mijn gitaarleraar Ferry Robers had de goeie eigenschap om muzikanten zo snel mogelijk het podium op te duwen. Al kon je maar 1 nummer spelen. Zodoende kwam ik al snel overal te spelen in Den Haag. Vaak stond Ferrie tevreden een biertje aan de bar drinken. En als ‘ie mijn ouders zag, stoof Fer naar ze toe onder wild geroep:

“moet je die gozer toch eens horen spelen, da’s toch gewoon een duivel?”

Ergens begin jaren ’80, rond de kerstdagen om de geboorte van het kindeke Jezus te vieren, speelde deze duivel een paar van die ouwe jazzstandards op herhaling 2 dagen lang in de Haagse Passage. Een andere keer trad ik aan in Theater Pepijn. En ook kwam ik op het North Sea Jazz Festival te spelen. Ik heb het allemaal te danken aan de man die ik nog altijd mis. Ferry kreeg Korsakov en overleed korte tijd later. Ik was nog maar net 19 jaar oud.

Hoewel Fer de podiumangst bij mij tot vrijwel het nulpunt heeft weten te brengen, af en toe stak het toch de kop op. Met name als ik voor televisie moest optreden, of in een grote zaal als Paradiso. Het klamme zweet brak me dan uit. Waar was ik toch aan begonnen? Maar altijd spotte ik Ferry tussen de mensen, glimlachend.

Het is de verbintenis met de duivel die blijft. Een hels karwij maar mij hoor je niet klagen.

Geluidseffecten voor animaties

Een van de dingen waar ik een kei in ben is het programmeren van geluiden voor animaties. Bekijk onderstaande video waarin ik met name synthesizers gebruik om zo het kunstmatige en theatrale van de animaties te benadrukken.

Ook alle muziek in deze video werd door mij met veel lol gemaakt. Het is mijn “tududu” stem die je hoort met een gitaartje en basje erbij.

Zie ook Portfolio – Sound Design op Melodiefabriek →

— deze video werd gemaakt in opdracht van ctrlspatie.nl

Een ongemakkelijke Marc Ribot in het Paard van Troje

Via het geweldige album Rain Dogs van Tom Waits uit 1985 leerde ik gitarist Marc Ribot (1954) kennen. Hij viel op met zijn compleet eigen stijl die duidelijk gestoeld is op Amerikaanse rootsmuziek maar daar tegelijkertijd hoorbaar uit probeert te breken. Marc combineert de rauwe sound van blues en rock ‘n’ roll met de tegentonen uit de free jazz. Tegentonen die hij mooi weet te krijgen, zoals ze in het nummer I want you van Elvis Costello klinken. Inclusief de memorabele solo bestaande uit 2 noten.

Zandloper

Het is 17 maart 2015 en Marc Ribot speelt in Den Haag in de Kleine Zaal van het Paard van Troje in Den Haag. Solo. Voor aanvang speculeer ik nog wat met zanger/gitarist Melle de Boer en gitarist Dick Zuilhof over wat ons te wachten staat. “Ik denk dat het een beetje ongemakkelijk zal worden”, voorspelt Dick.

Het concert begint.

Marc neemt plaats op een klapstoel, speelt een paar maten en grist vervolgens naar de zandloper die op de tafel naast hem staat en draait hem om. 40 minuten te gaan. Marc laat het plectrum over de snaren schuren, slaat harde dissonante akkoorden aan en raast over de snaren. Andere stukken worden juist heel ingetogen en breekbaar gespeeld. Maar telkens ligt een kleine of grote ontsporing in het verschiet. Buiten de gebaande paden om. Het is een gevoel van uitersten dat hier tussen de nepkaarsen opsteekt. Oorlog en vrede.

Van zijn bijzonder mooie album Silent Movies uit 2010 speelt Marc diverse stukken. Op dat album beperkt Marc zich. Van echte ontsporing is geen sprake. Maar vanavond is het anders. Vanavond moet alles eruit.

Waxinelichtjes op batterijen

Ik begin het warm te krijgen. Ongemakkelijk warm. Het ligt niet alleen aan de airco die uitstaat. Het vreemde interval dat de airco en ventilatoren produceren kan Marc niet waarderen en dus is het hele spul inclusief verlichting op zijn verzoek uitgezet.

Tijdens het concert wordt het podium slechts verlicht door een halve cirkel aan waxinelichtjes op batterijen. Maar Marc zit ogenschijnlijk prima op zijn gemak te wezen. Zijn colbertjasje blijft aan.

Spannend, inspirerend en soms ronduit mooi.

Na de pauze wordt opnieuw de zandloper omgedraaid.

Dada

Een beetje ontsporen is wat mij juist zo aantrekt in het spel van Marc. Dat randje, dat tegendraadse. Maar vanavond is het niet een kwestie van een beetje ontsporen maar een beetje veel ontsporen. Wonderlijk om mee te maken. Ik hoor en zie hoe deze Dadaïst op akoestisch gitaar er alle mogelijke klanken uitperst.

Met zijn mond maakt ‘ie een vinger nat en laat hem glijden over de top van zijn gitaar alsof het een conga is. Er klinkt wat gegrinnik vanuit de zaal. En razensnel schuift hij een potlood onder de snaren en plaatst een slide op zijn pink. Tweemaal verzet Marc het potlood 1 fret hoger om zo de boel te transponeren. Er heerst controle binnen het ongecontroleerde.

Zijn interpretatie van het bekende lied Happiness Is A Warm Gun van The Beatles maakt me zeer gelukkig.

Marc kijkt eerst op zijn horloge en daarna naar de zandloper. A done deal. Na luid applaus mag ‘ie nogmaals terugkomen. De klassieker There Will Never Be Another You wordt voorzien van wat ongemakkelijke bebop licks en nog eenmaal worden alle zijwegen op de gitaar verkend. Dan is ‘ie klaar.

Tolstoj op het hobbelpaard verlaat het podium. De airco kan weer aan.

Buckminster Fuller: this nonsense of earning a living

We should do away with the absolutely specious notion that everybody has to earn a living. It is a fact today that one in ten thousand of us can make a technological breakthrough capable of supporting all the rest. The youth of today are absolutely right in recognizing this nonsense of earning a living. We keep inventing jobs because of this false idea that everybody has to be employed at some kind of drudgery because, according to Malthusian Darwinian theory he must justify his right to exist. So we have inspectors of inspectors and people making instruments for inspectors to inspect inspectors. The true business of people should be to go back to school and think about whatever it was they were thinking about before somebody came along and told them they had to earn a living.

— Buckminster Fuller

Zijn tijd ver vooruit?

Had de Volkskrant me toch tuk met dat stuk over Toto

Bassist Mike Porcaro is afgelopen zondag 15 maart 2015 overleden aan de gevolgen van de spierziekte ALS.  Vandaag publiceerde de Volkskrant daarom een analyse van muziekjournalist Rovert van Gijsel over de oude band van Mike, Toto. Ik moest hem 2 maal lezen om te snappen dat Rovert niet uit was op het bashen van de band maar juist een kleine middelvinger opstak naar alle popjournalisten die dat wel deden.

Ik denk er net zo over.

Gewoon een potje herrie?

Sommige popjournalisten vinden het verdacht als muzikanten zo goed kunnen spelen als de muzikanten van Toto. Vreemd want van popjournalisten mag je toch ook een goeie taalbeheersing verwachten?

Nu vind ik de Punk een belangrijke stroming in de muziek waar ik bovendien een groot liefhebber van ben. De liefde voor imperfectie, het zelfdoen, de anarchie, het schoppen tegen de heilige huisjes en de voorliefde voor eenvoud en rauwe kantjes, het spreekt mij bijzonder aan. En natuurlijk ben ik dol op John Lydon en zijn Sex Pistols. En The Clash. Maar hoewel zij beschouwd kunnen worden als de architecten van de Punk, hun boodschap “dit kun jij ook, koop een gitaar en ga je ding doen!” blijkt in de praktijk toch een heel stuk lastiger te zijn.

Iedereen die een gitaar oppakt weet dat het bloed, zweet en tranen kost om er echt goed op te leren spelen. Zo strak als The Ramones speelden is zeker niet voor elke band weggelegd. En ook hun Beach-Boys-achtige-liedjes lijken misschien eenvoudig maar zijn toch echt met een sterk melodieus gevoel gecomponeerd.

Pathetische muziek

De Sex Pistols en de band Queen zaten ooit op hetzelfde moment in dezelfde studio, de West End studios in Londen. Sid Vicious stapte de verkeerde studioruimte binnen en trof Freddie Mercury aan de piano aan:

Ah, Freddie Mercury, still bringing ballet to the masses are you?

Waarop Freddie antwoordde met:

Oh yes, Mr Ferocious, dear, we are doing our best.

Punk was natuurlijk Het Grote Verzet Tegen Symfonische Bands Zoals Queen. En ik vermoed dat het verzet tegen Toto eenzelfde soort verzet is. Omdat Toto niet voldoet aan het concept “pak een gitaar en ga gewoon een potje herrie maken!” Wat je Queen kunt verwijten kun je dus ook Toto verwijten. Koorzang? Check. Melodieuze gitaarpartijen? Check. Rijke harmonie? Check. Langdurige studiosessies? Check. Verfijnde arrangementen? Check. Hoge kopzang? Check.

En natuurlijk is Queen pathetisch. Net zo goed als Toto dat is. Maar vergis je niet: elke Punkband is dat ook. Sterker nog: het is de basis van alle volksmuziek. Verdiep je er maar eens in. Onderzoek de kerkelijke muziek. Of de Italiaanse Opera. Zet een album van Nirvana op en je staat verstelt van de pathetische boodschappen.

Het is niet voor niets dat menig popmusicus met gebalde vuisten in de lucht zijn lied staat te zingen. Het predikt theatraal zijn boodschap.

En voor sloppy playing die aan alle kanten rammelt schaamt iedere muzikant zich. Zo was Sid Vicious weliswaar een leuk visueel boegbeeld van de Sex Pistols maar ook een gruwelijk slechte bassist die slechts op 1 nummer van het album Never Mind The Bollocks te horen is.

Het wegpoetsen van schoonheidsfoutjes

Op het bekende album Nevermind van Nirvana werd een computer met het programma Pro Tools ingezet om de gitaarpartijen van Kurt Cobain in het nummer Something In De Way helemaal strak en zonder schoonheidsfoutjes te krijgen, want schoonheidsfoutjes, daar schaamden deze pathetische dominees zich toch voor.

Natuurlijk mag je het lelijk vinden dat de gitarist van Toto, Steve Lukather, vrijwel altijd een chorus-effect ter verfraaiing van zijn gitaargeluid gebruikt. Maar dat effect gebruikte Kurt Cobain gewoon ook. In de hitsingle Come As You Are wordt het chorus-effect naast op alle gitaren zelfs ook op de basgitaar ingezet. Overigens niets bijzonders want Billy Duffy van The Cult gebruikt vaak een flanger, Eddie van Halen een phaser en Hendrix een Uni-Vibe.

Deze modulatie-effecten zorgen ervoor dat de toon van de gitaar wat gaat zweven. En het is puur een geluidstechnische keuze. Een kwestie van smaak.

Miles Davis

Toto kon mij nooit echt boeien totdat in 1986 het album Fahrenheit uitkwam. Ook dit album heeft de bekende gelikte en suikerzoete sound. En ja ook dit album maakt er geen geheim van dat de heren goeie muzikanten zijn. Maar wat mij er vooral zo in aantrekt is de rol van Miles Davis op de laatste track van het album, Don’t Stop Me Now. De gitaar van Luke met zijn zijde zachte chorus vloeit prachtig samen met de ijzige klank die uit de trompet van Miles vloeit. Het is van een onwaarschijnlijke schoonheid.

Miles vroeg Luke om bij zijn band te komen spelen maar de trouwe hond Luke sloeg het voorstel af en bleef trouw aan zijn maatjes van Toto.

In de beginjaren van Miles waren de critici het er allemaal over eens: Miles, dat doe je gewoon niet, dat klinkt nergens naar zo vibratoloos met een demper op je trompet spelen. Maar Miles trok zich er niets van aan. Net zoals Luke. En gelijk hebben ze want muzikanten hebben namelijk altijd gelijk. In tegenstelling tot al die critici.