in samenraapsel

Inkrimpen en uitdijen

Een paar dagen geleden vroeg ik me af wat hij zou schrijven als ik hem vroeg. Dus deed ik dat. Daarom vandaag, een gastbijdrage van Harry Prenger.

Sinds mijn vijftiende heb ik het gevoel dat ik onlosmakelijk verbonden ben aan de muziekindustrie. De muziekindustrie luistert vaak naar me, maar is ook eigenwijs en wispelturig. Zo stel ik de muziekindustrie een vraag waar ik soms geen antwoord op krijg, of pas na jaren wachten. Voorbeeld: wanneer verschijnt nou eindelijk eens Music For The Knee Plays op cd? Een intussen heel lang geleden verschenen meesterwerk van David Byrne. Pas onlangs meende de muziekindustrie, meer dan twintig jaar na de lp release, gehoor te geven aan mijn vraag. Dat bedoel ik nou. Je kunt er niet van op aan, je weet niet waar je aan toe hebt. De horror.

Het kan ook anders. Zonder überhaupt een vraag te hoeven stellen kwam ik in het bezit van een compleet muziekalbum. Gratis. Gemaakt door een band die ik lange tijd niet zo zag zitten. Mede dankzij of desondanks en langs allerlei al dan niet ondoorgrondelijke wegen van de muziekindustrie, heb ik mijn mening over deze band herzien. Ik bedoel maar. Wij allen zijn de muziekindustrie. Je ertegen verzetten is net zo iets als beweren dat er ook vanavond weer niks op tv is. De muziekindustrie en ik horen bij elkaar zoals het goede en kwade, de dealer en de junkie, de klaagzang en de serenade. Al bekruipt me wel eens het gevoel dat de muziekindustrie nu een hele poos pooier is en ik een hopeloze junkie. Zoals sommige vrouwen na een pak slaag uit liefde toch bij manlief blijven, zo neem ik de flink uit de klauwen gelopen grootheidswaanzin van de muziekindustrie voor lief.

Stilzwijgend voeren wij een knipperlichtrelatie, de muziekindustrie en ik, de muziekliefhebber. Welk fenomeen zichzelf nu al meer dan honderd jaar in de staart bijt. De laatste tijd scharniert het een beetje tussen ons, ze solliciteert zo nu en dan naar de status van ongeleid projectiel en dan kun je maar beter even de andere kant opkijken. Desondanks deed ik, je bent verslaafd of niet, onlangs weer een lieve duit in het zakje. Ik loop een winkel vol geluidsdragers binnen, blader door de schappen, luister, maak eventueel een praatje met de verkoper, blik goedkeurend in het decolleté van de stagiaire en keer, als het even mee zit, huiswaarts met een album vol muziek. Dit gedragspatroon werd pakweg zo’n honderd jaar geleden vastgelegd. Toen betrad ik een verlaten thrift store ergens op het Amerikaanse platteland. Bijkans struikelend over de potten en pannen, vond ik een stapeltje 78 toeren plaatjes. Jazz. Vaudeville. Blues.

Wanneer ik eind jaren vijftig een stoffige pijpenla in tweedehands spulletjes verlaat, loopt John Fahey langs me. Hij laat er enkele exemplaren achter van zijn private pressing lp en hoopt er maar het beste van. Als de man niet naar de muziek komt moet de muziek maar aan de man. In 2007 bezoek ik de website van Radiohead. De groep wil zijn eigen muziek helemaal zelf aan de man brengen. Stiekem hopend dat daar ook wat vrouwen bij zitten. Ik ben geen vrouw, maar downloaden deed ik In Rainbows heel graag. Wij zijn de muziekindustrie. Dat gebuk over platenbakken en rijtjes cd’s in een vaak ook nog van sjofelheid aan elkaar hangende winkel is na een tijdje gewoon slecht voor je rug.

Harry Prenger

(CC-BY-SA foto origineel: pinkbelt)

Geef een reactie

  1. Good post.

    I think that the first step in changing the music industry is for everyone to realize they are not merely consumers of products, but an integral part of the music process.