De Dylaneske zin

Zit ik naar de documentaire Rolling Thunder Revue van Martin Scorsese te kijken, blaft die Bob Dylan in ene de zin van het leven eruit.

audioquote uit de docu Rolling Thunder Revue – een film van Martin Scorsese

Buwaldi, Buwalda

foto van: Marco Raaphorst / Creative Commons BY-NC-SA

“Heb jij iets met Delft?”, vroeg een lezer vanaf een klapstoeltje. Een vraag aan Het Lam dat acht en een half jaar had opgeofferd aan het schrijven van de opvolger van zijn succesvolle debuut roman.

Het Lam Gods nam een microfoon ter hand. “Nee!” Hoewel Het Lam zijn debuut voor een deel gesitueerd had in Delft, nota bene de plek waar ik nu op een klapstoel zat, hij bleek toch mooi de hele janboel uit zijn duim en de rest van zijn hand gezogen te hebben.

Acht en een half jaar is langer dan de lagereschooltijd. Langer dan de langste relatie die Het Lam ooit gehad had. Het zou eeuwig zonde zijn geweest als die acht en half jaar zich niet terugbetaalde qua succes. Hij was er lange tijd bang voor geweest. Was door diepe dalen gegaan. Zelftwijfel, boektwijfel. Regelmatig had ‘ie voor zijn boekenkast gestaan met knallende zelfreflecterende koppijn.

Tommy Wieringa had kort ervoor in zo’n zelfde setting voor een publiek op klapstoelen verklaard dat er voor hem niets leukers was dan schrijven. Onze Jezus dacht daar anders over. “Ik heb eigenlijk een hekel aan alles wat leuk is, zoal vakantie, drinken…”

Leuk? Het was zwaar afzien.

“Je staat op met 3 problemen en gaat naar bed met 7 problemen.” En dat dan acht en een half jaar lang. “Niet gaan lunchen buiten de deur, niet naar feestjes gaan en na de maaltijd gewoon weer door.” Soms deed ‘ie op een nacht vier hazenslaapjes om tussendoor de broer van Het Lam te sms-en over bepaalde passages.

Echter, de droom dat er in de boekenkast een plek voor hem is, was gebleven.

Stront alert

Mijn manager zag er niet alleen shitty uit, hij was het ook. Meneer vond dat werkende vrouwen niet zwanger mochten raken. “Raaphorst, dat wijf gaat godverdomme straks weer zwanger geneukt worden, let maar op!”

We werkten samen met een club van verloren jongens. Nyenrodemannetjes die van gekkigheid niet wisten wat ze aanmoesten met hun leven en al dat geld. Zodoende waren ze een bedrijfje begonnen.

Mijn manager wist het op een gegeven moment zelfs aan te poten met een van de weinige vrouwen van de verloren jongens. Echter, toen wij in moeilijk zakelijk vaarwater terechtkwamen met de heren begon mijn manager poep te praten: “Weet jij wel in wat voor ongelofelijk lastige positie ik verkeer Raaphorst? Ik naai dat wijf en nu moeten wij eisen gaan stellen aan de verloren jongens?!?!” Een hele rol WC-papier ging op aan het schoonboenen van zijn poephoofd.

En ondanks de lavendelzakjes ging de geur niet weg.

Zelfs mijn ontslagbrief rook naar stront.

Scheef in de bek

Op het station stak een jonge dame 8 centimeter boven de menigte uit. Meer zool dan schoen.

Op haar gelaat straalde het visuele gevolg van een paar dagen teveel te weinig goed doorbakken kip eten. Om het witte geheel te accentueren waren de ogen en lippen diep zwart opgemaakt. Haha, is dat even griezelen papa en mama!

Verderop blafte een inktzwarte trenchcoat met zwarte cowboyhoed zijn vriendin wat onverstaanbaars toe. Haar roze haar explodeerde in het zonlicht. Ze gingen vandaag soldaatjes schilderen.

Bij het uitspreken van het woord goth kan uw kunstgebit mogelijk wel scheef in de bek komen te zitten. Verder is er niets aan de hand.

Nico Servaas: “maakt niet uit als je hem maar meeneemp!”

Dit is een blogpost dat ik oorspronkelijk voor het Haagse blogcollectief Hofstijl ‘het laatste woord uit Den Haag’ maakte.

Te herkennen aan een lichtblauwe stofjas, een irritant lachje, 3 pond Brillcream in het haar, handenwrijvend en voorzien van een stevig Leids accent, Nico Servaas is de naam. Wereldberoemd bekend van muziekwinkel Servaas aan de Riviervismarkt. Way back, want Servaas bestaat niet meer. Dat zit zo: toen in 1994 meesterverkoper Nico genoeg centjes had verdiend besloot ‘ie de boel te verkopen om met z’n vrouw naar het eiland St. Lucia in het Caribisch gebied te vertrekken.

Ik dacht altijd dat Nico de beste gitaren voor zijn favoriete klanten bewaarde. Probeerde ik een gitaar dan was het 9 van de 10 keer een kromme hoepel. Gaf ik hem terug, zei Nico: “maakt niet uit als je hem maar meeneemp, hahaha!”

Iedereen kende de verhalen dat Nico de buizen en speakers van een versterker verving door goedkoper spul voordat het in de vitrine werd gezet. Nico verkocht spullen die we alleen kenden van platenhoezen en tv-opnames uit het verre Amerika. Wisten wij veel. Nico kon ook altijd aan spullen komen waar niemand anders aan kon komen. Zo stond de ouwe versterker van Jimi Hendrix gewoon bij Nico in de etalage te shinen.

En Nico lachte zich gek. Voor hem was het gewoon business as usual. Broodnuchter. Nico had goed in de gaten welke opwinding zijn spulletjes bij de muzikantjes veroorzaakten. Menig armlastig muzikant stond z’n eigen helemaal op te geilen daar aan de Riviervismarkt.

Nico hoorde ik ooit de telefoon aannemen met: “Oh die is met lunchpauze. Hij is 1 voor heel vertrokken, dus ik verwacht hem 1 voor half weer terug.” Nico was van de klok en zijn knechten moesten dat ook zijn.

Van weinig mensen kun je zeggen dat ze totaal amuzikaal zijn, maar Nico was er zo eentje. Die speelde echt geen ene noot muziek. Nico zag gewoon handel in de Indorock.

Maar goeds, ik dacht dus altijd dat Nico de beste spullen voor zijn favoriete klanten bewaarde. Tot ik in het Haags Straatnieuws een interview met George Kooymans lees:

De eerst gitaar die ik voor The Golden Earrings (nog met S) kocht, was een Gibson ES335. Betaalde ik op afbetaling 1700 gulden bij Nico Servaas. De winkel van Servaas was een sociaal ontmoetingsoord, alle muzikanten kochten er hun gear. Moet je weten dat we allemaal goed door hem zijn uitgekleed. Kom ik jaren later bij zijn nieuwe pand, sta ik ineens voor een hek. Een fucking hek! Moest ik wachten tot het Nico behaagde om open te doen. De tijden zijn wel veranderd, dacht ik, hier kom ik nooit meer. Dat hek was natuurlijk tegen het jatten, maar bij Max Guitar Shop aan de Laan van Meerdervoort en bij Rock Palace in de Torenstraat is geen hek; daar kun je gewoon een gitaar pakken en proefspelen.

Haags Straatnieuws

Dat draaihek herinner ik me nog. Dan kwam ik van de Stedelijke Muziekschool af, gitaarkoffer in de hand en een Nico die mij dan handen wrijvend toesprak: “geef die gitaar maar aan mij want als je straks trug komp dan weet ik nie of ‘ie van mij of van jou is snap ju? hahaha.”

Ik heb trouwens sterk het vermoeden dat Nico niet goed wist wat goed of slecht was. Een nadeel als je amuzikaal bent. Maar goed, als hij het kon verkopen voor een veel hogere prijs dan waarvoor hij het had ingekocht, was Nico tevreden.

De stofjas heeft Nico bij de verkoop van Servaas weggedaan. Tegenwoordig loopt ‘ie in een lichtblauwe zwembroek rond. En op zijn iPod iets van de Black Dynamites of The Tielman Brothers. Hij kan er hooguit een paar seconden naar luisteren. Af en toe neemt ‘ie een heerlijke duik in die Caribische Zee. Of zoals Nico het noemt: mijn Caribische Zee. Want man wat voelt hij zich daar thuis. Zo vertrouwd. Zo heerlijk tussen de witte haaien.

omslagfoto: Terry Goss / licentie: Creative Commons BY