Gerard Fieret, het manifest van Folkert de Jong en de gameboycameraman

Vandaag bezocht ik het GEM en het Haags Fotomuseum. Ik kwam voor de foto’s van Gerard Fieret. In zijn nadagen zag ik hem altijd in de stad met twee emmers vol duivenzaad aan het stuur, een tas van de Intertoys en een wollen muts op het hoofd.

Ik ben geen fotograaf, ik ben niet eens een kunstenaar. Ik heb me door de kunstacademie heen geworsteld en beheers een veelvoud aan disciplines; schilderen, tekenen, schrijven, dichten en fotografie. Ik kies er niet eentje, maar maak gebruik van diverse media. Ik ben een maker van beeldende kunsten. Ik vind het woord ‘kunstenaar’ te beperkend.

Een man naar mijn hart!

Waar ik naar zoek in fotografie is anarachie: in de context van de conservatieve maatschappij zijn mijn foto’s agressief. Een intens leven vol met passie – een solide passie voor het leven, dat is waar ze over gaan.

Een bekende uitspraak van Fieret was dat hij zichzelf niet als fotograaf zag maar als een ‘fotograficus’. Een graficus heeft de macht over de techniek en zet die naar zijn hand, terwijl een fotograaf er afhankelijk van is om wat hij heeft vastgelegd zo scherp en waarachtig mogelijk weer te geven. Dat verschil in benaderingswijze is misschien wel de kern van Fierets ongemak jegens de gevestigde fotografenorde: hij behoort er niet toe. Althans, hij voelt zich anders. ‘Ik ben geen Hasselblad-mannetje’, verzuchtte hij ooit.

De foto’s van Fieret zijn altijd sfeervol. Soms zijn ze onscherp juist vanwege het effect.

In het GEM zag ik hoe Folkert de Jong aanhaakt op De Stijl. Zijn manifest Plea for Humanity, een antwoord op Manifest I van Theo van Doesburg, fotografeerde ik natuurlijk ook. Kunst biedt immers in tijden van crisis soelaas.

Tot slot bekeek ik de foto’s van de Instagrammer gameboycameraman. Hij schiet op een oude gameboy-camera met een bijzonder lage resolutie. Lo-fi, imperfect, heerlijk.

Alles voor de kunst: Francesca Woodman

De Amerikaanse fotografe Francesca Woodman pleegde op 22-jarige leeftijd zelfmoord. Ze groeide op in een gezin waar alles om de kunst draaide. Haar ouders, beiden kunstenaars komen in de documentaire The Woodmans uit 2010 hierover uitgebreid aan het woord. Ze vertellen hoe zij met Francesca een hele slechte relatie zouden hebben gehad als zij een slecht kunstenaar was geweest. Moeders was altijd in haar atelier te vinden, ook al kwamen de kinderen (Francesca en haar broer) uit school thuis en hadden ze behoefte aan aandacht. Moeders en vaders hadden aandacht voor slechts 1 ding: kunst, hun eigen kunst. Niet zo gek dus dat Francesca zelf ook kunst ging maken, evenals haar broer.

En ze legde de lat extreem hoog voor zichzelf. Hoewel de foto’s seksueel getint zijn, volgens de documentaire had Francesca maar weinig met sex. Ingezet voor de kunst, het lichaam als object om een verhaal mee te vertellen.

Haar fotografie is fascinerend. Het lichaam van Francesca zien we vaak in beweging. Het vormt een blur, een onscherp object in het beeld. Alsof ze uit de foto lijkt te willen verdwijnen. En vaak zien we hoe ze een deel van haar lichaam verbergt onder een stuk behang, of middels stukken schors om haar armen verdwijnt in de bomen van een bos. We zien haar lichaam opgaan in de foto’s, samengesmolten met de omgeving. Poëtische beelden, zwart/wit en vrijwel altijd zeer serieus. Nooit kinderlijk speels, hooguit onderzoekend speels. En altijd zonder schaamte.

Haar relatie met haar ouders was helemaal niet zo goed, zo blijkt uit haar notities. Ondanks dat ze dus een waanzinnig kunstenaar was geworden. Mij verbaast het niets, haar ouders hadden namelijk alleen maar aandacht voor hun eigen kunst. In de documentaire zegt moeders dat na de bevalling bij haar het kwartje viel dat “dat kind aandacht nodig heeft”. Voor moeders leek de ervaring van zwanger worden wel interessant, maar de verantwoordelijkheid die het met zich meebracht overviel haar wel een beetje. Ze heeft het steevast over That Child. Maar ook vaders is zeker niets vies van egocentrisch gedrag waarin alles moet wijken voor de kunst. Hij kon goed met zijn dochter overweg, zo verteld hij op camera, maar alleen maar omdat hij zo onder de indruk was van haar werk.

Er hangt een zweem van diepe triestheid om haar foto’s. Ik zag ze van de week in FOAM Amsterdam in het groot en het klein. Zo’n kunstenares wens je toch een positief en lang leven toe met ouders die trots op je zijn, wat je ook doet?

De expositie heet: Francesca Woodman – On Being an Angel. Ga hem zien!

Zie ook mijn fotoset op Flickr.

UPDATE: de documentaire The Woodmans is op YouTube te vinden:

 

Flexibel samplen met Ableton Live 9.5

Sampling is sinds de jaren 80 een populair middel voor muzikanten om de beat, of een kort fragment uit de muziek van anderen in een eigen track te gebruiken. Zo heeft rap-muziek kunnen ontstaan, rapping over a beat. Een beat die vaak afkomstig was van Clyde Stubblefield, de drummer van vele James Brown hits. James verzon ze niet maar Clyde verzon ze al spelende. Hij stak een hele generatie aan met die vette grooves van hem.

Geld

Clyde heeft er nooit een cent teruggezien van al dat samplen. James Brown daarentegen wel want hij staat als songwriter vermeld en ontving er royalties over. Alleen heeft James die groove niet verzonnen maar Clyde. Een beetje oneerlijk dus.

Yet Mr. Stubblefield’s name almost fell through the cracks of history. The early rappers almost never gave credit or paid for the sample, and if they did, acknowledgement (and any royalties) went to Brown, who is listed as the songwriter.

– New York Times

Clyde is niet de enige. Met hem zijn er vele andere muzikanten met exact hetzelfde verhaal. De sampler heeft hun geen geld of naamsbekendheid opgeleverd.

Samplen als creatief proces

De eerste samplers waren heel primitief. Zelf heb ik nog met een Ensoniq Mirage, een 8-bit sampler, gewerkt. Maar inmiddels dankzij software zoals die van Ableton Live, Duitse software waar ik sinds 2002 mee werk, zijn de mogelijkheden voor het creatief samplen enorm toegenomen. Heden ten dage kun je een sample zo veranderen dat het origineel er vrijwel niet meer in terug te ontdekken valt.

Bekijk vanaf 12:27 onderstaande video en zie hoe je vrij eenvoudig in een stuk audio kunt gaan transponeren naar andere toonhoogtes in real time. Op die manier kun je nieuwe muziek creëren op basis van bestaande muziek door de melodie en harmonie aan te passen.

Het gave hieraan vind ik dat je de unieke aspecten van het origineel kunt behouden. Als een soort eerbetoon. Het geluid van de opname bijvoorbeeld en de algehele feel. Hoewel je dat ook weer kunt aanpassen als je dat wenst, noten, timing en het geluid. Zo ver zelfs, zodat het origineel onherkenbaar is. Maar nogmaals: dit eerbetoon met een twist is toch een geniale creatieve uitdaging die deze techniek ons heden ten dage biedt?

Juridische hel

Het is toch te gek om een prachtige partij van bijvoorbeeld Herbie Hancock te kunnen veranderen naar iets anders? Met die oude sound, maar dan wel heel anders dan het origineel. Helaas ga je dan nat in een rechtszaak. Want zodra het origineel te ontdekken valt ben je aan het “jatten”, zo beschouwen niet-creatieve juristen en rechters het. Andy Warhol mocht de soepblikken van Campbell zeefdrukken en voor veel geld verkopen maar muzikanten die zoiets doen dat worden financieel helemaal uitgekleed. Als ik het muziekje Always Coca Cola sample en met een toetsenbord laat klinken als “Always, always, always Coca Cola” dan moet ik diep in de buidel tasten.

Alles in de kunst is een kwestie van doorgeven, van nadoen wat anderen doen. Stijlidiomen hebben zo kunnen ontstaan doordat iedereen iets op eenzelfde manier speelt. De blues met haar 3 akkoorden bijvoorbeeld waar popmuziek uit heeft kunnen ontstaan.

Of neem Igor Stravinsky die in zijn stuk Le Sacre du Printemps melodieën uit volksmuziek letterlijk overnam. Vrijwel alle klassieke componisten namen overigens eeuwenlang populaire notenreeksen van mekaar over. Hetzelfde geldt voor jazzmuziek dat bol staat van de licks en harmonische overgangen die men van mekaar “leende”.

Met de komst van de sampler in de 80-er jaren veranderde deze visie. De juristen roken geld. Maar inmiddels is de tijd misschien rijp voor een wat meer open blik en kunnen we echt de nieuwe mogelijkheden van software gaan benutten zonder telkens in rechtszaken te eindigen.

Picasso

“Good artists copy, great artists steal”, zei Pablo Picasso ooit. Pablo was schilder. Die moest alles met de hand schilderen. Maar wat nu als je een foto maakt? Dat is een heel stuk eenvoudiger. Het maken van een foto zou je kunnen zien als het maken van een sample van wat je door de lens ziet. Een visuele sample. Veel fotografen fotograferen kunstwerken, schilderijen, of architectuur die ontworpen is door anderen. Ook dat levert enorme copyrightdiscussies op. Maar muzikale samples zijn vaak geen letterlijke opnames zoals een fotograaf doet, maar meer creatieve behandelingen van de samples.

Ik hoop dat sampling algemeen geaccepteerd gaat worden als een creatieve uitdaging om de muziek en klanken van onze voorgangers te recyclen in nieuwe werken. Zodat ze voortleven. Juristen moeten daarom wat meer creatief durven te denken en het meer benaderen vanuit de artistieke prestatie die geleverd wordt. Een fotograaf laten we immers ook redelijk vrij. Dat moet voor componisten dan helemaal gelden. Laat de artistieke presentatie daarin de sleutel zijn en niet het geld. Muziek is een kwestie van voortbouwen op wat er al was. Een verbintenis met het verleden, verbonden door notenreeksen en stijlidiomen die ons bekend in de oren klinken.

P.S. In een interview met The Atlantic maakt copyrightactivist Kembrew McLeod een slimme opmerking:

Q: Do any examples from history prove that a frictionless licensing system can work?

A: We can look to the 1909 copyright act, which made it possible for the cover song tradition to exist—which shaped 20th century popular music. If you look at the history of 20th century popular music, the bulk of sound recordings produced were covers, and it was possible because congress allowed for frictionless transactions on cover songs.

Think about what cultural value was added to 20th century popular culture because people had the freedom to cover and reinterpret songs. That freedom generated tons and tons of fantastic recordings—and revenue. We can have a vibrant, thriving culture—and at the same time, make sure artists get paid. We can look to the past to find fixes for the future.

Pracht expo van avontuurlijk provofotograaf Cor Jaring

Omdat ik samen met Tom America de nieuwe formatie ‘zegzeg’ begon kwam ik Cor Jaring op het spoor. Ik had weleens een foto van de provofotograaf met het Magische Pershelm gezien maar veel meer wist ik niet over hem. De song Dat is ’n tik van me waarvoor Tom de stem van Cor leende (zie hier) gaan we met ‘zegzeg’ live-on-stage naar de mensen toebrengen. Daarbij zal ik mij wapenen met een elektrieken gitaar.

Ik besloot op onderzoek te gaan en stuitte op een kleurrijk figuur. Een Cor die leefde op nicotine, drank, fotografie en sterke verhalen. Cor was niet gespeend van ook maar 1 piepklein haartje bescheidenheid. Cor was de beste fotograaf, zo vond ‘ie zelf.

In het museum Huis Marseille is de expo Cor was hier te zien, samengesteld door fotograaf Sander Troelstra. Ik ontdekte er nieuwe dingen. Fotografie die zichzelf helemaal niet hoeft te overschreeuwen omdat het ronduit geweldig was. Ik zag een Cor in Tokyo, een Cor in Indonesië. Een Cor die last had van heimwee en vaak met zijn ziel onder z’n arm liep als ‘ie weer eens moederziel alleen aan de slag moest in een ver land. In een  brief aan zijn vrouw Willy uit 1966 laat hij weten dat hij overspannen is en van de dokter in Tokyo een vitamine-injectie gekregen heeft. In Indonesië fotografeert hij Soekarno en verblijft zelfs in diens paleis. Daar ontmoet Cor ook de zangeres Nancy Sinatra die hem vraagt om naar Amerika te komen om Amerikaanse celebrities te fotograferen. Cor past en keert  zo snel mogelijk weer terug naar Amsterdam.

Misschien was het een sterk verhaal want Cor was gek op sterke verhalen en kon ze als de beste vertellen. Het waren vaak complete verzinsels. Menig maal “vergiste” hij zich zelfs over wie een beroemde foto gemaakt had. Zoals in zijn provoperiode een paar keer gebeurde.

In de laatste tweeënhalf jaar voor Cor zijn dood gaat fotograaf Sander Troelstra hem met zijn camera volgen. Hij herkent zich in Cor, in de liefde voor underdogs en het ongewone. Cor laat zich fotograferen want zelf kan hij het niet meer. “Een halve Cor”, zo noemt Cor zichzelf op mindere dagen. Chronische pijnen hebben hem de das om gedaan. Maar met Sander kan ‘ie er tenminste nog over vertellen, over die goeie ouwe tijd. Het voelt voor Cor alsof ‘ie nog een beetje aan het werk is.

Volgens zijn dochter ging Cor geheel zijn eigen gang, wat volgens haar te bewonderen is. Maar de kinderen hadden het zeker niet makkelijk vroeger. De vaak afwezige vader zat tot diep in de nacht in de kroeg en dronk het verdiende geld op. In een korte docu die tijdens de expo vertoont wordt zie ik hoe de tranen over de wangen van zoonlief rollen als ‘ie een foto van Cor ziet tussen de Indonesiërs.  Hij voelt de weemoed van pa. De fotograaf die gedwongen is om geld te verdienen, desnoods in een ver land. De ambitie riep. Maar hij zat liever in Amsterdam.

Het leven is een verhaal dat gemaakt moet worden.

(omslagfoto gepubliceerd onder CC BY-SA op Nationaal Archief: Jac. de Nijs)