De mythe van de arme kunstenaar

Mythes. De werkelijkheid romantiseren. De werkelijkheid mooier maken. Vaak zijn het verkooppraatjes. Dat zie je nu ook met het begrip Storytelling gebeuren. Ik ben dol op goeie verhalen, maar wie gaan er met het begrip vandoor? Marketeers die dankzij Storytelling hun gebakkenluchtverhalen denken te kunnen aanscherpen.

Een vals verhaal kan toch nooit een geloofwaardig verhaal worden? Jawel want de meeste mensen willen maar wat graag geloven dat iets waar is. Daarom is er zoveel mythevorming en verafgoding.

De realiteit laat zich slecht grijpen en mythevorming gaat daar echt niet bij helpen. Eerder het tegenovergestelde zal het resultaat zijn. Het doet afbreuk aan de realiteit en kan miljarden mensen eeuwen lang in zijn greep houden, zo leert de geschiedenis ons telkens weer.

Ooit schreef ik al eens eerder een blogpost over een belangrijk mythe: ‘Klinken dure spullen echt beter?’

Maar een andere belangrijke mythe is die van de Arme Kunstenaar. Natuurlijk, Vincent van Gogh was zo’n arme kunstenaar die bij leven slechts 1 schilderij verkocht heeft. Zijn broer Theo was gedurende zijn hele leven zijn mecenas. De aanname is dat dankzij het geld van Theo, Vincent zijn kunstenaarschap optimaal heeft kunnen uitoefenen. Maar wat was er gebeurd als Theo dat geld niet aan zijn broer had gegeven en hem had verteld: “Kom op zeg, ga jij eens even je eigen geld verdienen!” Had Vincent zijn doeken dan aan de wilgen gehangen en was hij bijvoorbeeld predikant geworden? We weten het niet, het leven laat zich niet net zoals in de film Lola Rennt in een paar varianten vertellen. Maar grote kans dat Theo en Vincent in de mythe van de Arme Kunstenaar geloofden.

De kunstenaars uit mijn jeugd, Bach, The Beatles, Miles Davis, Steely Dan en ga zo nog maar een eind door, het waren geen Arme Kunstenaars. Toch geloofde ook ik in die mythe. Het verhaal van Van Gogh had immers een bijbelse kracht.

De mythe van de Arme Kunstenaar is handig om creatievelingen mee te ontmoedigen. Het beeld om te sterven zoals Van Gogh, wie wil dat nou? Het is de mythe die ook eeuwenlang (!) rond Michelangelo hing. Pas door toedoen van de Amerikaanse kunstprofessor Rab Hatfield die de bankrekeningen van Michelangelo analyseerde kwam in 2002 de waarheid naar boven dat het tegenovergestelde het geval was: Michelangelo was een multimiljonair die omgerekend naar de huidige maatstaven een vermogen van meer dan 35 miljoen euro zou hebben gehad! De kunstenaar leefde weliswaar spartaans, maar die keuze werd dus absoluut niet ingegeven door het vermogen dat hij bezat.

We moeten af van de mythe van de Arme Kunstenaar. Het is een vals verhaal dat mensen die creatief zijn weinig vertrouwen geeft in de toekomst. Het is heel gevaarlijk om in dat verhaal te geloven. En het is heel jammer om daardoor te kiezen voor iets dat meer voor de hand ligt. Te kiezen voor de veilige weg, een niet-creatieve weg. Om de lat juist niet heel hoog te durven leggen. Niet te kiezen voor iets dat misschien jaren aan toewijding kost. Zoiets als de Sixtijnse Kapel. De geschiedenis leert ons toch echt dat die toewijding vaak juist zeer ruim beloond wordt.

Geloof in jezelf broeders en zusters! Creativiteit for the win!

foto onder CC BY-SA: Antoine Taveneaux

Jan Vollaard was zeker ongesteld of moest het worden

Jan Vollaard pende voor de NRC ondermeer het volgende:

Al te vaak klonk Keiths gitaarspel alsof er een mortiergranaat boven het samenspel van de anderen werd losgelaten.

Tuurlijk, ze zijn stokoud en niet meer zo fris en scherp als ze ooit waren. De magische dynamiek tussen Ronnie en Keith vindt zich tegenwoordig waarschijnlijk alleen nog buiten het podium af. Al jaren aait Keith de snaren als ie Gimme Shelter struikelend speelt. En af en toe slaat ie het verkeerde akkoord aan. Zoals bv hier duidelijk te horen en te zien is:

So fucking what!

De Stones hebben nooit perfectie nagestreefd. Wat dat betreft zijn het de The Beatles niet. De Stones stammen uit de blues. En ze gaan met de dag meer met hun helden samenvallen. Ze hebben eenzelfde soort slordigheid en rauwheid. En ze lachen iedereen uit. Keith al helemaal. Zo herinner ik me nog een interview van Jip Golsteijn dat ik in een jubileumuitgave van muziekkrant OOR ooit las. Het stamde uit de begin jaren 70 en Jip gaf Keith nog een paar jaar. Niet dus want Keith heeft iedereen overleefd, ook Jip.

Ronnie, de virtuoos van de 2 gitaristen, en onlangs medisch gezien ook weer helemaal in shape weten te krijgen, speelt trouwens nog best een paar puntige zeer gedoseerde solos. Ik heb de YouTube videos van het concert van gisteren hier en daar wat kunnen bekijken en het viel niet tegen. Ik heb heel veel respect voor het feit dat ze nog gewoon spelen en er lol in hebben. Het is hun leven. Een stijl die ze zelf gecreëerd hebben. En dat Keith wanneer ie een fout maakt een kop opzet van “I don’t fucking care!” Man, dat siert de man. Die houding vind ik te gek. Op zo’n leeftijd niet luisteren naar de azijnpisser die zich meneer de muziekjournalist noemt. De muzikant heeft namelijk Altijd gelijk.

Man, ik heb Miles Davis nog zien spelen toen hij zowat doodging van de pijn. Pijn in zijn heup en teveel medisch gedoe gewoon. Maar man, man, man wat een genot om Miles over dat podium te zien sjokken. Hoefde voor mij niet eens een noot te spelen. Kind of Blue all over the place. Alleen al uit zijn houding sprak een belangrijke les: trek je geen REET aan van wat ze van je zeggen. Ga door. Spelen!

Het was rock and roll die ons calvinisme eruit sloeg. Het werd fucking tijd! Opendraaien die versterker en hard aanslaan. Desnoods als je boven de 70 bent. Al zit je haar niet. Who cares?

Moet een kunstenaar zichzelf blijven vernieuwen?

Er zijn kunstenaars die zichzelf blijvend probeerden te vernieuwen en er zijn kunstenaars die stijlvast zijn. Bach, Laurel & Hardy en Monty Python hebben wat ze ooit vonden bij herhaling toegepast. Daar is naar mijn idee niets mis mee.

Bowie veranderde telkens van stijl. En Miles Davis heeft de jazzmuziek een paar maal compleet weten te vernieuwen. Zij werden onrustig als ze te lang hetzelfde deden. Noodgedwongen vernieuwingsdrang. Diversiteit als belangrijkste stijlkenmerk.

Maar als een kunstenaar een andere kunstenaar nadoet vinden we dat niet creatief. Wellicht dat sommigen daarom ook vinden dat de kunstenaar zichzelf niet mag herhalen. Wat ik vreemd vind want als je een mooie eigen stijl ontwikkelt, waarom zou je die stijl dan niet toepassen op heel veel werk? Als Laurel & Hardy slechts 1 kort filmpje gemaakt hadden zou je daar snel op uitgekeken zijn. En dus ben ik dolblij dat er zoveel van die Laurel & Hardy filmpjes zijn. Hetzelfde geldt voor de absurdist Gummbah die zichzelf blijvend herhaald. En waar ik zeer blij mee ben want binnen het format van de tekening/strip, is hij in staat om hilarische grappen te blijven maken, keer op keer.

Of neem Brian Eno, de man die de term Ambient uitvond en voor een groot deel deze muziekstijl bepaalt. Nog altijd maakt Brian Eno dit type muziek en brengt het uit. Zo heel veel verschil tussen het oude werk en het nieuwe werk zit er niet, maar dat hoeft ook niet. Sterker nog: dat kan niet eens. Ambient is Ambient.

Bach schreef op basis van contracten zijn muziek, geheel volgens afspraak en met regelmaat. Men wilde gewoon meer werken van Bach en dus leverde Bach deze. Hetzelfde gold voor Laurel & Hardy, Monty Python, Michelangelo en vele andere kunstenaars die gewoon onder contract de meest prachtige dingen produceerden waar we nog altijd van genieten.

De geboorte van de koelen

Hoe vind je als muzikant eigenheid? Een eigen vorm, een eigen geluid, een eigen taal? Naar mijn idee kan die zoektocht naar eigenheid alleen maar plaatsvinden als je de wortels kent van de plek op de aarde waar je geboren bent.

Van de week sprak ik met Erik de Jong die onder de naam Spinvis in 2002 met een grote klap zijn naam gevestigde in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Iemand die een kantelpunt creëerde omdat zijn muzikale vorm, zijn opvatting uitermate Nederlands is.

Maar eerst iets anders.

Expressie

Rock ‘n’ Roll stamt af van de Blues, net als Jazz. Muziek waarin de emotie letterlijk bezongen wordt. Wat je hoort en ziet is wat je krijgt. Ook in andere afgeleiden van de Blues, zoals de Gospel, hoor je dat overduidelijk terug. De emotie ligt er dik bovenop en wordt theatraal bezongen. “Jesus, he lifts me up!” En de jammerende klaagzang in de blues “woke up this morning” wordt op gitaar geïmiteerd middels het buigen van de noten.

Deze expressie hoor en zie je terug in vrijwel alle muziekstijlen. Neem Opera bijvoorbeeld waar onze Jordanese op gebaseerd is. De pijn wordt met de grootst mogelijk dramatische expressie bezongen.

Zonder opsmuk

Erik de Jong doet precies het tegenovergestelde. Hij vindt die overduidelijke expressie niet zo interessant. Zo vertelde hij me: “Een tekst moet zo droog mogelijk worden gebracht.” Erik blijft zodoende  extreem dicht bij zijn eigen beperkingen en wortels. En juist hierdoor ontstaat die eigenheid, omdat je niet iemand nadoet maar puur je eigen eigenheid accepteert. Eigenheid die voortkomt uit het calvinisme. Nederland is geen swingend land. Nederlanders storten zich niet huilend ter aarde. Nederlanders zijn over het algemeen ingetogen mensen die hun emoties een beetje binnenhouden.

Birth of the Cool

Miles Davis is een van de muzikanten wiens muziek mij enorm gevormd heeft. Ik vertelde Erik erover en ook over mijn vader, kerkorganist, en hoe ik door hem de muzikale opvattingen van Bach meekreeg. Nog altijd tot op de dag van vandaag, mijn pa is 82, kan ik met hem discussiëren over de klassieke muziektheorie die gebaseerd is op het 12-toons stelsel en gelijkzwevende stemming.

Ik beaam volledig de opvatting van Erik over het droog brengen van een tekst. Een vorm waarin je de emotie vooral vrij laat ontstaan bij de luisteraar. Het sluit naadloos aan op de benadering van Bach. En ook op die van Miles Davis. Want als er iemand in Amerika was die afstand nam van de grote gebaren en de cliches dan was het Miles wel. Hij koos voor een stijl die je in alle opzichten cool kunt noemen. Spaarzame noten gespeeld op een trompet met een demper. En zonder enige vorm van vibrato. Miles heeft daar zeer veel kritiek op gehad, zijn toon zou te kil en te koud zijn. Zijn droge ingetogen geluid heeft de jazzmuziek juist radicaal veranderd. Een benadering die riekt naar een calvinistische muzikale opvatting. Alsof een Hollander de Blues speelt.

Humor

Laat ik een bruggetje slaan naar humor. Ik ben dol op John Cleese. Zijn humor is tong in cheek, hij houdt zich in, drukt zijn tong tegen zijn wang en brengt de grap sec. Humor wordt door Cleese in een zuivere vorm gebracht, zonder opsmuk. Zou Cleese er zelf bij gaan lachen dan zou het elan missen. Cleese brengt zijn humor koeltjes.

Het is precies wat Miles Davis deed. En Erik de Jong ook. En Bach. Zij spelen/zingen de noten sec, naakt, droog, zonder ze zwaar aan te zetten.

Neem Blue in Green van Miles Davis. Ik ken geen intro dat mooier is. Pianist Bill Evans speelt de wonderschone harmonie heel overzichtelijk en duidelijk. Klassiek. En Miles speelt met ijle toon er een partij onwaarschijnlijke topnoten overheen.

Zonder enige vorm van opsmuk gebracht.

Soort van modaal

Op mijn 13e begon ik met jazzgitaar. Het was het instrument dat ik oppakte nadat ik op de lagere school de blokfluit van voor naar achteren tot mij had genomen. Alle boekjes had uitgespeeld. Ik ging naar de lokale Stedelijke Muziekschool hier in Den Haag en begon aan de jazzgitaar workshop van Ferry Robers. Hij was een gitarist met een geweldige stijl en toon. Helaas veel te jong overleden.

Ik herinner mij mijn eerste les nog goed. De drummer riep mij de akkoorden toe: “A13, Dm7#9, G13-, Cm …”. Hij kende alle akkoorden maar ik niet! Al snel leerde ik ze gelukkig wel, al die complexe jazz akkoorden. Ferry hielp me door de vingerzettingen en posities op de hals van de gitaar te laten zien. Ik was een toegewijde leerling en leerde snel uit het Real Book (lees: de Bijbel onder jazzmusici) te spelen. En met veel plezier!

Maar het volgende frustratiepuntje diende zich al snel aan toen ik wilde gaan soloren over die ingewikkelde akkoordenschema’s. Ik had geen idee hoe dat moest. Wat ik ook deed, het klonk voor geen meter. Het enige dat Ferry me kon vertellen was: “speel de noten uit de akkoorden”. Maar terwijl ik goed luisterde naar wat hij speelde viel het me op dat hij een heleboel noten speelde die niet in de akkoorden zaten. Kwamen deze uit de substituties van de akkoorden? Ferry speelde snelle arpeggio’s, iets wat onmogelijk leek voor mij om te leren. Ik was een tiener met een beperkte hoeveelheid tijd. So what?

Lees verder

De Zwarte Lijst kan echt niet meer

De discussie over Zwarte Piet wil ik hier niet gaan voeren. Wel vind ik het opvallend dat sommige tegenstanders van Zwarte Piet voorstanders zijn van het radio en tv-programma De Zwarte Lijst. Een lijst die muzikanten rangschikt op basis van huiskleur.

De Zwarte Lijst stigmatiseert muzikanten. Het houdt een clichébeeld in stand dat geen ene reet met muziek van doen heeft.

Miles

Van jongs af aan ben ik een groot liefhebber van Miles Davis. Ik heb hem zelfs een paar maal zien optreden. De man stond wantrouwend tegenover blanke mensen, iets wat ik overigens goed begreep want Miles werd tot op het bot gediscrimineerd. En hoewel ik het begrijp, het antwoord op rasisme kan nooit zijn dat je zelf ook een racist wordt. Gelukkig liet Miles regelmatig zijn wantrouwen ten opzichte van blanken varen. Zo was hij dol op zijn pianist Bill Evans die op Kind Of Blue het mooiste piano intro ooit speelt: Blue In Green. En met Gil Evans, zijn arrangeur voor vele jaren, onderhield hij ook een bijzondere band. En Miles was dol op Frank Sinatra en Willie Nelson (vernoemde zelfs een van zijn nummers naar hem).

In Europa werden zwarte muzikanten toentertijd, 50- en 60-er jaren overigens wel geaccepteerd. Miles kreeg zelfs een affaire met Juliette Gréco.

Lees verder

Muziek heeft een verhaal nodig

Er is al zoveel muziek en er komt nog eens zoveel muziek elke minuut bij, het is simpelweg teveel. Simpelweg teveel om het allemaal te kunnen beluisteren. Simpelweg teveel om ervan te kunnen houden.

De meeste muziek valt onder de radar. Niet zozeer omdat het niet goed zou zijn – goed is relatief – maar meestal omdat het aan een goed verhaal ontbreekt rondom die muziek.

Memorabele muziek heeft een goed verhaal nodig om op te vallen en om de tijdgeest te overleven. Verhalen die vaak niet eens waar zijn en geheel een eigen leven gaan leiden.

  • Miles Davis en zijn band zou de soundtrack van de film Ascenseur Pour L’Echafaud totaal geïmproviseerd hebben terwijl de film in de studio geprojecteerd werd. Een leugen want Miles had een week voor opname alle thema’s bij elkander lopen te componeren.
  • De duizenden verhalen die je over The Beatles de ronde doen. Zoals de drugslink met “Lucy in the Sky with Diamonds” wat op het woord LSD zou duiden. Puur gelul want het hele nummer zou toch echt gebaseerd zijn op een tekening van Julian Lennon.
  • De Rolling Stones die keer op keer bij de release van een nieuw album een verhaal verzinnen om alle journalisten uit hun winterslaap te halen. Keith heeft als junk natuurlijk nog maar even te leven. Bowie en Jagger hadden ooit een liefdesaffaire. En Keith heeft wat as van zijn vader opgesnoven.
  • Tijdens de 1e uitvoering van Le Sacre du Printemps van Stravinsky zou het publiek met mekaar op de vuist zijn gegaan puur vanwege de radicale muziek en dansvoorstelling.

Drugsverhalen doen het altijd goed, met name in de popmuziek. Dat Kurt Cobain zichzelf naar de kloten geholpen heeft maakt hem voor velen juist legendarisch. Als een moderne Jezus het leed van anderen dragen, dat blijft een goed verhaal. Puur gelul natuurlijk want het was alleen zijn eigen leed en een zeer naargeestig en triest verhaal. Hetzelfde geldt voor Amy Winehouse. En maar inzoomen op dat drugs- en drankgebruik van haar door De Media. Die hele Club van 27 is sowieso een verschrikkelijke club! Mag je er trots op zijn als je toegelaten wordt tot die club omdat je op je 27e al de pijp bent uitgegaan? De nieuwe Jezussen van 27 jaar. Het zal je kind maar zijn…

Zonder een goed verhaal is muziek slechts muziek en kunnen de meeste journalisten er geen zinnig woord over vertellen. Daarom gaan muziekverhalen zelden over muziek maar vrijwel altijd over de randverschijnselen.

Omslagfoto: Michael ‘wacko’ Jackson met zijn lama

Het North Sea Jazz van 1987

Mijn North Sea Jazz van 1987

Komend weekend vindt de 40e editie van het North Sea Jazz Festival plaats. Een datum die voor mij makkelijk te onthouden is omdat het jaarlijks een week na mijn verjaardag valt. En het werd mij door de “goden” nog gemakkelijker gemaakt met de komst van mijn dochter Puck, 13 jaar geleden op 13 juli 2002. Op een snikhete dag.

Paul Acket

North Sea Jazz werd jarenlang georganiseerd door Paul Acket. Het is de man die de muzikale geschiedenis vorm heeft gegeven. Ik noem:

  1. uitvinder van muziekbladen Muziek Express en Popfoto
  2. in 1964 de Rolling Stones voor het eerst naar Nederland halen (1000 pluspunten voor het goeie verhaal: de Kurzaal van het Kurhaus werd door Stones-fans tot een ruïne omgevormd; stoelen vlogen door de zaal en een kroonluchter kwam naar beneden)
  3. uitvinder van North Sea Jazz waarmee Den Haag en Scheveningen swingde en bruiste als de neten (helaas viel het festival in 2006 in handen van Rotterdam, wat nog altijd een historisch dieptepunt te noemen is dat qua ernst te vergelijken valt met de Slag bij Waterloo)

Zelf heb ik ook een keer op North Sea Jazz opgetreden. Jawel! Dat was namelijk tijdens de 12e editie van 1987. Ik was 19 jaar en mocht dus van snaar gaan.

2 dagen spelen

“Je had wat vaker moeten komen man. Ik heb die indeling voor North Sea al gemaakt!”, mijn gitaarleraar Ferry Robers riep het me toe.

1987 was het jaar waarin ik slaagde voor HAVO/MBO, een soort versnelde MEAO (2 jaar ipv 3 jaar) dat ik aan het Tinbergen College volgde. Hierdoor had ik veel lessen moeten missen van de workshop jazzgitaar die ik aan de Haagse Stedelijke Muziekschool bij Ferry Robers volgde. Ik moest en zou dat HAVO/MBO examen halen. Ik had er dus geen moment bij stilgestaan dat ik weleens op North Sea Jazz zou kunnen spelen en drong er verder bij Ferry dan ook niet op aan.

Maar Ferry dacht daar heel anders over. De week erop liet Ferry me namelijk weten dat hij mij voor de zaterdag en zondag ingedeeld had! Op vrijdag kon ik niet, zo had ik Ferry al de week eerder verteld. Ik MOEST namelijk op vrijdag Miles Davis zien en had al een kaartje. Maar nu speelde ik er zelf ook. En zelfs 2 dagen!

Dankzij het prachtige archief van North Sea Jazz zijn zelfs alle blokkenschema’s – overigens een brilliante uitvinding van Acket zelf – nog terug te vinden op de site. En dus ook die van mijn 2 dagen (zaterdag en zondag).

blokkenschema-1987-zaterdag

De “introductie” van vrienden

De optredens van beide dagen liepen volgens mij wel lekker. Niets om me voor te schamen, zelfs niet als het broekie van het ensemble waarmee we optraden. Ook herinner ik me nog dat ik de artiestenbar in mocht met mijn Artist-kaart dat zich op de begane grond bevond en waar ik ook een paar bekende muzikanten aantrof, evenals de grote Acket in pak en rokend. Het hele Congresgebouw stond toentertijd overigens blauw van de rook. De hoofdsponsor was zelfs een sigarettenfabrikant. Een verleden dat compleet haaks staat op het conservatisme en de doorgeschoten truttigheid van de huidige maatschappij.

Ook herinner ik me dat een medestudent die meespeelde samen met zijn vriendin zo kon doorlopen via de artiesteningang. Hij droeg de versterker en zij droeg zijn gitaar in koffer. Ook dat kon dus allemaal gewoon in die tijd. Men was gewoon erg chill en deed niet zo moeilijk. Binnen bij de kassa kon je met een Artist-kaart een polsbandje halen zodat je makkelijk in en uit kon lopen. Wat handig was want op die manier kon ik toch maar mooi 2 vrienden gratis “introduceren” op het festival.

Hoewel ik de optredens aan Ferry Robers te danken heb, ik weet werkelijk niet meer of ik hem daar ook nog gezien heb dat weekend. Ferry was overigens een te gekke gitarist, qua timing, qua dik geluid en nootkeuze. Echt een voorbeeld voor mij. En het heeft altijd onwijs tussen ons geklikt, ondanks het leeftijdsverschil.

1987 was een omslagjaar voor mij en North Sea vormde een mooi afscheid van de Stedelijke Muziekschool voor mij. Wellicht ook de laatste keer dat ik Ferry zag, of daar op North Sea was, of die keer er vlak voor toen hij mij vertelde over de North Sea gig. Helaas bezweek Ferry een paar jaar later aan hartfalen. Met hem ging een bijzonder muzikant verloren. En ook een enorme typisch Haagse grapjas. Met Ferry heb ik me helemaal gek gelachen.

Terug naar 1987 en North Sea Jazz. Van de rest van het programma dat weekend herinner ik me niet meer zo heel veel. Wel dat het concert van Miles Davis niet zo geweldig was. John Scofield zat niet meer bij de band en ook bassist Darryl Jones was al overgelopen naar Sting, dacht ik. Maar goeds Miles Davis was een levende legende en om daar een metertje of 10 vanaf naar te staren was eigenlijk al genoeg.

Fat Time

Maar wie ik me nog goed herinner is Mike Stern. Eigenlijk had hij met Miles moeten spelen naar mijn idee, zoals jaren ervoor. Maar nu speelde Mike in de Michael Brecker Band. Ik had natuurlijk een behoorlijke gitaarobsessie, zeker in tijd, dus keek ik vooral naar Mike.

Het mooiste wapenfeit dat Mike bij Miles heeft weggezet is de solo die hij op Fat Time speelt op het comeback album The Man With The Horn.

Het nummer was voor Mike bedoeld en droeg de bijnaam die Miles hem gaf: Fat Time dus. De gitaarsolo op die track is legendarisch. Hier speelt Mike als een soort van Hendrix Met Moeilijke Noten het nummer helemaal kaal met een stuwende backing band achter hem. Gewoon live in de studio gedaan. Met ondermeer basistengod Marcus Miller op de electrieken bas. Laat die avond met Michael Brecker op North Sea Jazz zich nu ontvouwen als één grote Fat Time! Ik zweer het je! Mike speelde grotendeels zittend op een kruk. Zat daar dus een beetje die akkoorden op weg te compen. Maar telkens wanneer de opwinding bij Mike begon te vlammen stapte hij van die kruk af om een distortion pedaal in te drukken en dan begon het Fat Tim Avontuur weer van voor af aan. Zijn sound was toen ook nog 1000% viezer dan zijn latere werk.

Kut HEAO

Voor je het weet ben je het allemaal vergeten. Maar goed mede daarom ook dat ik een track componeerde en inspeelde als eerbetoon aan de belangrijkste jazzmuzikant uit mijn leven: Ferry Robers.

Sommige dingen voelde ik slecht aan (lees: North Sea Jazz). Noem het naïviteit en ook mijn behoefte aan zekerheid speelde een rol (lees: laffe schoolkeuze). Maar Ferry voelde het allemaal wel aan. Dankzij mijn behaalde examen in 1987 begon ik na die zomer met een studie HEAO. Een verkeerde keuze zo bleek achteraf. Al het gezanik over marketing en statistieken, ik werd er helemaal naar van. Na mijn propedeuse, aan het eind van het 2e jaar, gaf ik het op. Daaag HEAO. Halloooo muziek! En zo is het. Nog altijd. En met name dankzij Ferry. En North Sea Jazz dus.

Gezien: Hollands Deep en 1-2-3-4 van Anton Corbijn

Het leek ons (samen met Karin) vandaag een goed idee om de combinatie-exposities van Anton Corbijn in zowel het Haags Gemeentemuseum als het Haags Fotomuseum te gaan zien. Anton is niet vies van een goed potje symboliek. Wel zo toepasselijk dus voor een Goede Vrijdag.

Met Hollands Deep wil Anton zijn werk als kunst tonen, vandaar dat dit werk in het Gemeentemuseum te zien is. In het Fotomuseum ligt de focus geheel op bands en muzikanten met ondersteuning van goeie 1-2-3-4 popmuziek die uit de boxen klinkt.

(klik op bovenstaande foto’s om er doorheen te bladeren)

Anton Corbijn, de beeldvervormer

De beeldvorming van de popmuziek werd in de 80-er en 90-er jaren gevormd door Anton Corbijn. Je pikte zijn foto’s er zo uit in de OOR. Het harde contrast, de grove korrel, de symboliek en de humor, het zat er allemaal al vrij vroeg in. Eigenheid.

Popmuziek kan niet zonder beeldvorming. En Anton weet elke band het juiste cachet te geven. De 1-2-3-4 expositie laat het zien. Breekbare musici die een imago krijgen, verheven, abstract en symbolisch. Anton haalt het allemaal naar boven.

Door met Anton te werken komt Depeche Mode van haar popimago af en wordt ze serieus genomen. De foto’s van Anton zijn rauw en soms zelfs onscherp. Anton is dol op onscherp. Meestal laten ze een kant van de persoon zien die we nog niet eerder van hem of haar zagen. Een breekbare Miles die je aandachtig aankijkt. Clint Eastwood die met zijn vingers een fictief pistool op ons richt. Mick Jagger in een jurk met oorbellen in en lippenstift op.

De vlucht

Het verschil tussen de Hollands Deep en de 1-2-3-4 expositie is niet zo heel groot. Beide exposities zijn grotendeels zwart-wit collecties. En in beide collecties stikt het van foto’s van muzikanten. Maar er zijn verschillen, de 1-2-3-4 expositie laat de impact van de fotografie op het imago van bands en muzikanten zien. Het is een muzikanten-expositie. De Hollands Deep expositie daarentegen laat een kant van Anton zien die de kunstzinnige mogelijkheden van de fotografie verkent.

Voor Anton vormde muziek en fotografie een vlucht uit zijn zwaar christelijke opvoeding. In een interview vertelde hij ooit dat hij zich tijdens de doop van zijn jongere zusje zich realiseerde hoe hij met haar in zijn armen over de graven van de doden in de kerk naar voren liep. In huize Corbijn was de dood het gesprek van de dag. Vader was dominee en over gevoelens werd niet gesproken.

Anton emigreerde naar Engeland, eind jaren 80 in de nawee van de Punk. Het is in deze periode dat Anton de beroemde foto van Ian Curtis van Joy Division maakt. In een metrotunnel kijkt Ian achterom terwijl de rest doorloopt. Een lucky shot. En een foto die wordt bezegeld met de zelfmoord van Ian, kort daarna.

De dood een hak zetten

Anton toont in beide exposities foto’s van mensen die allang zijn gaan hemelen. Toch zijn het geen kerkhoven, deze exposities. Op de foto’s is iedereen nog altijd springlevend. Het is Anton zijn persoonlijke spel met de dood.

Halverwege de wandeling vroeg ik me plotseling wel af waarom Keith Richards eyeliner gebruikt. Grote kans dat Anton het antwoord weet. Maar goeds, dat terzijde.

(bovenstaande foto’s staan ook in een set onder mijn Flickr account)

Had de Volkskrant me toch tuk met dat stuk over Toto

Bassist Mike Porcaro is afgelopen zondag 15 maart 2015 overleden aan de gevolgen van de spierziekte ALS.  Vandaag publiceerde de Volkskrant daarom een analyse van muziekjournalist Rovert van Gijsel over de oude band van Mike, Toto. Ik moest hem 2 maal lezen om te snappen dat Rovert niet uit was op het bashen van de band maar juist een kleine middelvinger opstak naar alle popjournalisten die dat wel deden.

Ik denk er net zo over.

Gewoon een potje herrie?

Sommige popjournalisten vinden het verdacht als muzikanten zo goed kunnen spelen als de muzikanten van Toto. Vreemd want van popjournalisten mag je toch ook een goeie taalbeheersing verwachten?

Nu vind ik de Punk een belangrijke stroming in de muziek waar ik bovendien een groot liefhebber van ben. De liefde voor imperfectie, het zelfdoen, de anarchie, het schoppen tegen de heilige huisjes en de voorliefde voor eenvoud en rauwe kantjes, het spreekt mij bijzonder aan. En natuurlijk ben ik dol op John Lydon en zijn Sex Pistols. En The Clash. Maar hoewel zij beschouwd kunnen worden als de architecten van de Punk, hun boodschap “dit kun jij ook, koop een gitaar en ga je ding doen!” blijkt in de praktijk toch een heel stuk lastiger te zijn.

Iedereen die een gitaar oppakt weet dat het bloed, zweet en tranen kost om er echt goed op te leren spelen. Zo strak als The Ramones speelden is zeker niet voor elke band weggelegd. En ook hun Beach-Boys-achtige-liedjes lijken misschien eenvoudig maar zijn toch echt met een sterk melodieus gevoel gecomponeerd.

Pathetische muziek

De Sex Pistols en de band Queen zaten ooit op hetzelfde moment in dezelfde studio, de West End studios in Londen. Sid Vicious stapte de verkeerde studioruimte binnen en trof Freddie Mercury aan de piano aan:

Ah, Freddie Mercury, still bringing ballet to the masses are you?

Waarop Freddie antwoordde met:

Oh yes, Mr Ferocious, dear, we are doing our best.

Punk was natuurlijk Het Grote Verzet Tegen Symfonische Bands Zoals Queen. En ik vermoed dat het verzet tegen Toto eenzelfde soort verzet is. Omdat Toto niet voldoet aan het concept “pak een gitaar en ga gewoon een potje herrie maken!” Wat je Queen kunt verwijten kun je dus ook Toto verwijten. Koorzang? Check. Melodieuze gitaarpartijen? Check. Rijke harmonie? Check. Langdurige studiosessies? Check. Verfijnde arrangementen? Check. Hoge kopzang? Check.

En natuurlijk is Queen pathetisch. Net zo goed als Toto dat is. Maar vergis je niet: elke Punkband is dat ook. Sterker nog: het is de basis van alle volksmuziek. Verdiep je er maar eens in. Onderzoek de kerkelijke muziek. Of de Italiaanse Opera. Zet een album van Nirvana op en je staat verstelt van de pathetische boodschappen.

Het is niet voor niets dat menig popmusicus met gebalde vuisten in de lucht zijn lied staat te zingen. Het predikt theatraal zijn boodschap.

En voor sloppy playing die aan alle kanten rammelt schaamt iedere muzikant zich. Zo was Sid Vicious weliswaar een leuk visueel boegbeeld van de Sex Pistols maar ook een gruwelijk slechte bassist die slechts op 1 nummer van het album Never Mind The Bollocks te horen is.

Het wegpoetsen van schoonheidsfoutjes

Op het bekende album Nevermind van Nirvana werd een computer met het programma Pro Tools ingezet om de gitaarpartijen van Kurt Cobain in het nummer Something In De Way helemaal strak en zonder schoonheidsfoutjes te krijgen, want schoonheidsfoutjes, daar schaamden deze pathetische dominees zich toch voor.

Natuurlijk mag je het lelijk vinden dat de gitarist van Toto, Steve Lukather, vrijwel altijd een chorus-effect ter verfraaiing van zijn gitaargeluid gebruikt. Maar dat effect gebruikte Kurt Cobain gewoon ook. In de hitsingle Come As You Are wordt het chorus-effect naast op alle gitaren zelfs ook op de basgitaar ingezet. Overigens niets bijzonders want Billy Duffy van The Cult gebruikt vaak een flanger, Eddie van Halen een phaser en Hendrix een Uni-Vibe.

Deze modulatie-effecten zorgen ervoor dat de toon van de gitaar wat gaat zweven. En het is puur een geluidstechnische keuze. Een kwestie van smaak.

Miles Davis

Toto kon mij nooit echt boeien totdat in 1986 het album Fahrenheit uitkwam. Ook dit album heeft de bekende gelikte en suikerzoete sound. En ja ook dit album maakt er geen geheim van dat de heren goeie muzikanten zijn. Maar wat mij er vooral zo in aantrekt is de rol van Miles Davis op de laatste track van het album, Don’t Stop Me Now. De gitaar van Luke met zijn zijde zachte chorus vloeit prachtig samen met de ijzige klank die uit de trompet van Miles vloeit. Het is van een onwaarschijnlijke schoonheid.

Miles vroeg Luke om bij zijn band te komen spelen maar de trouwe hond Luke sloeg het voorstel af en bleef trouw aan zijn maatjes van Toto.

In de beginjaren van Miles waren de critici het er allemaal over eens: Miles, dat doe je gewoon niet, dat klinkt nergens naar zo vibratoloos met een demper op je trompet spelen. Maar Miles trok zich er niets van aan. Net zoals Luke. En gelijk hebben ze want muzikanten hebben namelijk altijd gelijk. In tegenstelling tot al die critici.