Klaasje van der Wal, bassist Shocking Blue, overleden

Met verslagenheid hebben wij kennis genomen van het overlijden van Haags popicoon Klaasje van der Wal. Hij overleed maandagmiddag 12 februari j.l., na een ziekbed van enkele weken, liefdevol in de armen van zijn vrouw Dijana. Klaasje werd op 1 februari 1949 geboren in Den Haag en woonde in zijn jeugd in de Vreeswijkstraat om na het huwelijk met zijn eerste vrouw Monique aan de Escamplaan te gaan wonen. In deze woning is hij altijd blijven wonen. Hij was een bekende en populaire Hagenees en genoot nog volop van alle aandacht die hem ten deel viel als beroemd popmuzikant. Ook internationaal had hij veel aanzien en zijn kwaliteit als bassist werd meermalen geroemd. Onder meer door bassist Krist Novoselic van de Amerikaanse band Nirvana die hem ‘The Bassplayer God’ noemde.

— Martin Reitsma / De Posthoorn

Shocking Blue is naast Stars On 45 de enige Nederlandse band die ooit een nummer 1 hit in Amerika scoorde.

Filosoof Tomas Serrien over de muzikale betrokkenheid

Op De Correspondent las ik:

Muziek. Een uitlaatklep voor velen, maar een raadsel in haar werking. Filosoof Tomas Serrien (1992) deed er onderzoek naar en overwoog nog even om een leeg boek te publiceren.

En De Correspondent publiceerde het gesprek tussen Lex Bohlmeijer en Tomas Serrien:

Het is een interessant gesprek, waar ik nog wel wat op wil aanvullen.

Geluid prikkelt de hersenen en spreekt direct ons gevoel aan. Als we niet kunnen zien, we lopen bijvoorbeeld in een bos, dan is het geluid de trigger of we ons angstig zullen gaan voelen of niet. Bij dieren werkt dit precies zo. Dus op de vraag: kunnen dieren ook ontroert raken door muziek? Ik denk van wel omdat geluid het gevoel aanspreekt.

Muziek bestaat uit geluiden waarin we vaste patronen herkennen. Door toonhoogte verschillen, melodie en harmonie. Door timing verschillen in een vast metriek, ritme. Dat herkennen moet ons geleerd worden. We moeten leren muziek te herkennen. Daarom is het zo doodzonde dat in ons onderwijs muziek niet langer een rol speelt. Een schande!

Op herhaling gaan we wennen aan bepaalde muziekstukken. Op herhaling naar iets luisteren doet ons deze patronen beter herkennen. Wie zegt “wat een bak herrie” is vaak niet in staat om de patronen te herkennen, voor hem of haar klinkt het als een soort willekeur, als ruis.

Daarom lijkt zoveel muziek op elkaar. De ordening ervan volgt immers vaste patronen, zo niet dan vinden we het geen muziek. Onze westerse muziek wordt gevormd door 12 verschillende noten, letters zo je wilt. Natuurlijk zoeken muziekkunstenaars de grenzen daarvan telkens op, het blijft noodzaak om te komen tot patronen. Chaos, randomness is wat het is: pure willekeur. De componist en/of uitvoerder ordent de muziek. En ook geluid, klankkeur, zorgt ervoor dat de mogelijkheden van de 12 noten aangevuld worden. De naam klankkleur zegt het al, het brengt kleur aan in klanken. Daarom kan een bekend patroon toch ineens een nieuwe klank krijgen. En ook in klankkleur zien we de patronen terugkomen. Zo zijn onze oren gewend geraakt aan de samenstelling van de instrumenten in een orkest, de diepe basdrum van een 808 drummachine, het vervormde geluid van een elektrische gitaar en zo verder. We herkennen muziek en klanken zoals we beelden, objecten, mensen en teksten herkenen en onthouden.

Pure herkenning voor onze hersensen. Met een stukje uitdaging erbij: het herkennen van nieuwe patronen, of dwarsverbanden, relaties tussen noten, tussen klanken. Een spelletje met de hersenen dus. En daarom zo verslavend.

Patronen herkennen heeft onze focus als mens. Het is hoe wij mensen in elkaar steken. We moeten immers herkennen wat een deur is, wat water en vuur is. We navigeren via wegen die ergens naartoe leiden. Medici proberen verbanden te zien, patronen te herkennen, tussen leefstijl en ziektes, tussen erfelijkheid en ziektes. Behandelmethodes zijn patronen. De maaltijden die we eten, patronen. Als we ergens een patroon in herkennen dan bestaat het ineens voor ons. Zo leerde ons moeder ons ooit dat er een jou en een mij is. Je onthoudt vervolgens de patronen. Dat doen je hersenen natuurlijk, geheel onbewust.

Muziek is een spelletje met onze hersenen. Onbewust gaan onze hersenen op zoek naar de patroontjes in de muziek. Daarom is het zo lastig om je af te sluiten voor muziek. Je zult letterlijk de oren moeten afdekken. De hersenen gaan immers altijd door. En ik vermoed zelfs tijdens de slaap!

Zoiets dus.

dit was 2017

Ik heb een Spotify-lijst gemaakt van populaire muziek die mij is opgevallen dit jaar. Alle nummers werden dit jaar voor het eerst uitgegeven. Er zit geen oude muziek in, dus bijvoorbeeld geen Rolling Stones On Air.

Wat me opviel is het manipuleren van de stem. De voice-box en vocoder werd vanaf de jaren 70 mondjesmaat ingezet. Totdat de Auto-Tune eind jaren 90 haar intrede deed. Inmiddels wordt die techniek – pitch correction – in vrijwel alle popmuziek toegepast en is het manipuleren van de menselijke stem even normaal geworden als het indammen van dynamiek door gebruik te maken van een compressor. Dankzij de computer hoeft je geen instrument te kunnen bespelen om muziek te maken en dankzij de Auto-Tune hoef je ook niet meer te kunnen zingen. Beetje zwart-wit maar het dekt de lading.

En omdat een apparaatje op je stem gebruiken heel normaal is geworden, ook live op het podium, is men dat arsenaal apparaatjes gaan uitbreiden. Vocal Effects is inmiddels een term waarmee firma’s zoals BOSS en TC Electronic effecten uitbrengen die lijken op de effecten die gitaristen al een paar decennia lang inzetten om hun gitaargeluid mee vervormen (technisch: in principe zijn het dezelfde effecten, het enige dat nodig is, is de aansluiting van de micro, de xlr, omzetten naar jack). Menig zanger (genderneutraal bedoeld) heeft nu onder handbereik een paar effecten zodat tijdens het refreintje wat echo op de stem kan worden toegevoegd, of wat vervorming. En het publiek kijkt daar niet meer van op. Zal zich daar zelfs nauwelijks bewust van zijn. Daarom tik ik dit dus even voor volk en vaderland hier op mijn blog. Het is niet onopgemerkt gebleven…

Overigens, steeds meer bands weten live het gemanipuleerde geluid van de studio te reproduceren. Wat men in de studio gebruikt gebruikt men nu ook live. Veel effecten en vaak ook computers. Dat is natuurlijk al langer aan de gang maar met name het inzetten van effecten gaat heden ten dage veel verder dan ooit tevoren.

Daarnaast viel me dit jaar op hoezeer het Cockney en andersoortige Engelse slang populair is. Sterker nog: zelfs niet-Engelse teksten zijn tegenwoordig populairder dan ooit. Kortom: als er iets een teken is van de wereldwijde globalisering dan is het muziek wel! En de menselijke stem klinkt anno 2017 diverser dan ooit.

Belpop versus de Nederlandse toppers

foto onder CC-BY: Marco Raaphorst

Steeds als we hier uidtenken dat de Belgische popscene een beetje dreigt in te zakken en de Nederlandse pop daar wellicht wat ruimte krijgt, komen de grote Belgische acts weer in optocht de grens over.

Zo klopte de Volkskrant onlangs. En gelijk voelden sommige Hollanders zich aangesproken.

Ik voelde me helemaal niet aangesproken want ik vind onze Zuiderburen over het algemeen interessanter. Rauwer en kunstzinniger. En zeker ook op muzikaal vlak.

Hollanders hebben een grote bek. Wij zijn verkopers, handelaars. Het draait bij ons maar om 1 ding: de economie. We zijn grote gladjakkers. Dat zie je al als je met de trein of per auto naar België reist. In Nederland is alles voorbeeldig geregeld, perfect wegdek, voorgevels van de gebouwen staan goed in de verf. In België laat men de verf afbladderen. In België laat men de hekken roesten. In België lijken andere zaken dan de buitenkant prioriteit te hebben.

Als ik ergens in België een spreekbeurt kom geven voel ik mij al snel de bijdehante Hollander. Zo ook toen ik in opdracht van Toerisme Vlaanderen in Brussel 2 jaar geleden vlak na de aanslagen aldaar een lezing moest geven. Mij werd geadviseerd rekening te houden met de houding van de wantrouwende Belg.

En terecht. Want wij Hollanders, wij zijn verkopers. Wij zijn zendelingen. Wij denken het altijd beter te weten.

Op het ritme van de taal

Om het Volkskrant-artikel kracht bij te zetten maakte men een afspeellijst. Deze fantastische lijst:

Daar had evenzogoed iets van Arno Hintjens tussen kunnen staan. Of Luc De Vos van Gorki. Of Stijn Meuris van Noordkaap. In België is het aanbod kwaliteitsmuziek vanzelfsprekend. Zo vanzelfsprekend als dat de garnalenkroketten op het menu staan.

Natuurlijk, Nederland heeft ook geweldige bands. En met name de bands die ook warm onthaald worden in België. Toch kijkt Nederland veel af van Belgische bands. Bijvoorbeeld toen in 1980 Arno Hintjes met zijn TC Matic zijn mosselpot in drie talen, het Engels, Frans en Hollands op tafel zette. Maar we kunnen nog veel verder teruggaan. Jacques Brel trok immers eigenhandig het moderne Chanson naar een hoger niveau. Natuurlijk, de Belgen hebben mazzel met hun tweetaligheid. Het maakt dat het Franstalige lied voor de volle 100% van hen is. En Europeser dan dat gaat het niet worden. Of wacht, Duits zei u?

Bierdrinken en hossen

Onze muziektraditie staat haaks op de poëtische Franstalige muziek. De bekendste Nederlandse liedvorm is het Levenslied. Voorzien van sentimentele, eenvoudige teksten. Voor en door het volk. Zoals de Duitse Schlager maar dan in het Nederlands.

Muzikaal leunen deze genres op de walstraditie, bestaande uit een driekwartsmaat die je vandaag de dag nog maar weinig hoort. De wals wordt in de Chansons ook gebruikt maar veel subtieler dan in het Levenslied. Het ritme van de oude Nederlandse volksmuziek wordt vaak aangeduid als HoemPaPa een term die de lompheid van het ritme al aangeeft: Hoem (sterke 1e tel), Pa (2e tel) en Pa (3e tel).

Nederlandse volksmuziek is veelal amusementsmuziek. Ter vermaak. Om op te hossen en bier bij te drinken. Net zoals de Duitsers dat doen. Feestelijk en carnavalesk. Soms maakt men gebruik van dweilorkesten. En de verhalende teksten begrijpt iedereen direct.

Toch doe ik het Levenslied tekort door het weg te zetten als slechts amusement. Het geldt zeker niet voor alle Levensliederen. Vaak behandelen de teksten pijnlijke episodes uit het leven. De directe teksten laten weliswaar niets aan fantasie over, de rauwheid ervan is ongekend fel. In het Levenslied probeert men vaak juist niet te behagen maar wordt de rauwe pijn bezongen. Als een soort Nederlandse blues.

Het Chanson kenmerkt een totaal andere stijl. Chanson betekent in het Frans letterlijk “lied”. En kenmerkend daaraan zijn juist de poëtische teksten. Nederlandse artiesten zoals Ramses Shaffy of een Boudewijn de Groot leunen op het Chanson en niet op het Levenslied. En dat zit ‘m in de teksten. En ook een artiest als Spinvis leunt op die andere omgang met, en kijk op, taal. Teksten die een geheim in zich dragen, vol beeldend taalgebruik en waarin letterlijke betekenis soms zelfs afwezig lijkt. Of wat te denken van Stromae? De poëtische geest van Brel heeft zich genesteld in de genen.

Toppers

In Nederland wil men de handjes snel op elkaar zien te krijgen. En alleen wat succes heeft krijgt in Nederland aandacht. De Toppers trekken volle zalen en krijgen alle aandacht van de pers maar een band die weinig publiek trekt krijgt dat niet.

Sla de artikelen er maar op na die op Nederlandse muzieksites en in magazines te lezen zijn. Ze gaan vrijwel alleen nog maar over succesvolle artiesten. Taylor Swift hoeft maar te roepen “ik release mijn album niet op Spotify” of mevrouw krijgt van de Nederlandse pers volledig de aandacht.

Het gaat alleen nog maar over het aantal fans, geld, marketing. Het is godsgeklaagd want ik wil juist dat het over de artistieke prestaties gaat. Welke journalist kan dat nog duiden anno 2017? Waarom meneer of mevrouw de journalist van mening is dat een bepaalde band beter is, dat juist wil ik weten! Populariteit kan nooit als argument voor kwaliteit gebruikt worden. Populariteit slaat immers op kwantiteit. En is hooguit het gevolg van kwaliteit, maar duid deze dan!

Kwaliteit uitleggen is natuurlijk veel lastiger dan het simpelweg roeptoeteren van wat cijfertjes. Daarom zijn er ook zo weinig echt goeie journalisten omdat het met name gaat over de dingen die juist niet cijfermatig te onderbouwen zijn.

En ook de Nederlandse muzikant is vaak gemakzuchtig. Hij jat de muziek en de stijlidiomen inclusief slecht Engels maar wat graag uit het buitenland zonder zich te verdiepen in de vaderlandse muziekgeschiedenis. Je kunt afgeven op de weinig fantasievolle straattaal van de Levensliederen, authentiek Nederlands is hij zeker wel!

Ik vermoed dat wij in Nederland niet eens meer weten wat een artistieke prestatie is. Kwaliteit en kwantiteit halen we door elkaar. En zelfs schrijvers hebben we jarenlang ingedeeld in De Grote Drie. Alsof er maar 3 echt goeie schrijvers zijn. Wat alles zegt over ons taalgevoel. Je hebt de Bijbel en 3 Grote Schrijvers. De rest doet niet mee.

Kunst een linkse hobby noemen, dat kan alleen in Nederland.

Radio?

En natuurlijk speelt de Nederlandse radio ook een rol in de België versus Nederland discussie. Een uitzondering daargelaten, maar de Nederlandse radio is het toonbeeld van wansmaak. Radio 1 van België kent zijn weerga in Nederland niet. En dat is altijd zo geweest.

Liever verbroederen dan narcistisch te zijn

De Nederlandse HipHop doet het goed maar vlak de Belgische HipHop ook zeker niet uit. Daar waar de Nederlandse HipHop zich laat bedwelmen middels Drank & Drugs zorgt de Brusselse HipHop voor daadwerkelijke verbroedering. Juist vanwege de terroristische aanslagen, juist vanwege de tegenstellingen die er in Brussel zijn, slaat de Brusselse HipHop een brug tussen culturen. Tot in Parijs, het epicentrum van de Europese HipHop. Als dat het effect van taal en van popmuziek is, fantastisch toch?

Maar denken dat je de beste bent, het is een gevaarlijk narcistisch trekje en het verbroedert niet. Zo worden we nooit 1 Europa en blijft het slechts amusementsmuziek.

Moet popmuziek gesubsidieerd worden?

De terugkerende hamvraag, de titel van dit stuk, houdt de gemoederen nog altijd bezig. Zo deed de uitspraak “Subsidie is een schaars goed” van Tweede Kamerlid voor de VVD, Arno Rutte, op Radio 1 Atze de Vrieze genoodzaken er een stuk aan te wijden voor 3voor12.

Het is een complex vraagstuk want je hebt een artiest zoals Lil’ Kleine die letterlijk dure champagne staat weg te spuiten op het podium. En je hebt de dance waar miljoenen verdiend worden. Maar je hebt ook bands die in DWDD te zien zijn en in de clubs van Nederland optreden terwijl ze er niet van rond kunnen komen.

In het begin van de jaren 90 speelde ik gitaar in de Tilburgse band MAM. We speelden in de clubs, van Tuitjenhorn tot Paradiso. En af en toe waren we op de radio te horen en op tv te zien. We konden er niet van rondkomen, verre van dat, we hadden allemaal een baan ernaast. Onze geweldige toetsenist Dave Green (bekend van oa The Icicle Works) moest vanwege de armoede in Nederland terugkeren naar Manchester, Engeland. Ikzelf werkte in die tijd bij Oxfam Novib. Mijn snipperdagen gingen op aan optredens in de clubs, optredens voor televisie en opnames in studios. Ik bofte met een soepele werkgever.

Ondanks het uitblijven van groot succes, waren we volhardend. In het lied jaren jaren van onze laatste CD verwoordden we het zo:

jaren jaren – sjouwen douwen

jaren jaren – plank voor je kop

MAM was te vroeg in de tijd. Het publiek was er nog niet klaar voor. Teksten zonder grote betekenissen. Zonder letterlijk benoemde emoties. Geen Van Dik Hout Zaagt Men Planken maar met tederheid gebracht.

Totdat in 2002 na het uitkomen van het debuutalbum van Erik de Jong, oftewel Spinvis, hij de naam MAM regelmatig liet vallen:

Mam, weet jij nog wanneer ik voor het eerst een boterham met kaas gegeten heb?’ Dat klonk onhandig en tegelijkertijd zo goed. Zo wou ik het. Geen boodschap, geen afgerond verhaal maar een soort sfeer.

Het MAM nummer Maternité (in de volksmond ‘boterham met kaas’ genoemd) bleek Spinvis enorm geïnspireerd te hebben.

Toen ik een jaar terug met Spinvis zat om hem daarover te interviewen, vertelde ik hem over de overeenkomst die ik direct hoorde toen ik zijn debuutalbum voor het eerst draaide. “Dat kan geen toeval zijn”, vulde me Erik aan.

Het geld is natuurlijk vaak het directe gevolg van populariteit. Maar het hangt evenzogoed samen met de timing. Van Gogh verkocht bij leven slechts 1 schilderij maar inmiddels behoort zijn werk tot de absolute wereldtop. Van Gogh was simpelweg te vroeg voor zijn tijd, te modern voor het klootjesvolk. En hij is niet de enige.

Kunst moet vaak, net als goeie wijn, rijpen.

Wie echt een groot publiek trekt heeft macht, maar wie dat niet doet en in het B-circuit zit, die heeft het moeilijk. En misschien wordt dat zelfs veroorzaakt door subsidie. De plekken waar deze bands optreden trekken namelijk wèl subsidie. DWDD (hallo Mathijs van Nieuwkerk met je bijzonder hoge salaris!) en de mooie clubs van Nederland.  Zoals Atze het verwoordt:

Popzalen zijn de afgelopen vijfentwintig jaar getransformeerd van voormalige kraakpanden tot moderne zalencomplexen die iedere Nederlander moeten bedienen, niet alleen de linkse elite.

En die popzalen willen volle zalen trekken. Dus trekken ze de bands aan die dat kunnen leveren. Zodoende krijgt het B-circuit het extra lastig en komt maar matig aan de bak. Mening bandje treedt zwaar onderbetaald op omdat men nog liever voor niets speelt dan dat men thuis op de bank moet zitten.

Tja, wat kun je doen? Als je geen volle zalen trekt kun je niet heel veel geld vragen. Je machtspositie is dan klein. Er gelden overigens wel minimum vergoedingen. Het komt erop neer dat je per bandlid voor een concert een vergoeding van minimaal 108,90 euro mag eisen van de organisator. Nu weet ik dat vele organisatoren zich daar niet aan houden.

Wat ontvangt een band eigenlijk voor een optreden bij DWDD?

Naast het geven van live optredens ontvangen artiesten ook inkomsten via de rechten die BUMA/STEMRA en SENA voor hen int. En ontvangt men geld via de verkoop van digitale downloads, CD/vinyl verkoop en de royalties via streaming services zoals Spotify. Ook dat lijkt in vele gevallen zwaar onvoldoende te zijn om van rond te komen. Met name streaming levert belachelijk weinig geld op. Zo zag ik onlangs een rekensommetje dat voor Donald Fagen van Steely Dan gemaakt was omdat hij in een interview voor Rolling Stone Magazine had gezegd:

I need to tour to make a living. I get maybe eight percent of the royalty money I used to get.

Was Donald een ouwe zeur geworden? Iemand besloot het rekensommetje te maken. Het komt erop neer dat Donald via streaming slechts 1200 dollar (!) per jaar verdient.

Maar niet alleen popmusici hebben het zwaar hoor. Zo hoorde ik gisteren in het TV-programma Podium Witteman de klassieke dirigent, organist en klavecinist Ton Koopman vertellen dat als hij voor een volgende subsidie-aanvraag opnieuw zou worden afgewezen, zoals nu al jaren het geval is, hij zijn ensemble zou gaan opheffen!

Het beleid van Halbe Zijlstra (ook VVD) heeft in de culturele sector schandalig veel schade aangericht. Die man is een ramp voor ons land. Maar anno 2017 gaat de VVD nog een stap verder door te stellen dat de overheid helemaal geen subsidie meer moet vertrekken aan popmuzikanten en -bands.

Moeten we allemaal gaan worden zoals Lil’ Kleine? Of de instrumenten in de wilgen hangen en dance maken? Slechts 1 mannetje op het podium, hoef je het geld ook niet meer te gaan verdelen… boem, boem, boem, neem de blauwe pil, boem, boem, boem…

(wordt vervolgd)