Zo sneu: Hans Vermeulen is overleden!

Vroegah: Wouldn't You?

Het is 1990 en met componist, gitarist, zanger Quintus Kessler (RIP) begin ik twee bands: Xangô en Wouldn’t You? De eerste is bedoeld voor in de kroeg, een Braziliaanse band. De tweede focust zich op studiowerk. Quintus is in het bezit van een Atari 1040ST computer en een heel rack aan synthesizers, samplers en drummachines. In Studio BGM in Voorburg nemen we met mijn vriend en technicus Conno van Wijk een demo met 3 tracks op. We laten een serie kopieën op cassette maken met een zwart wit hoesje er omheen.

De demo willen we voorleggen aan een producer. Maar wie? Quintus weet het niet maar ik wel: Hans Vermeulen. Quintus heeft zo vanaf zijn 13e de hele wereld over gezworven en heeft ondermeer een paar jaar in Rio de Janeiro gewoond. Logisch dus dat je dan totaal niet op de hoogte bent van het Nederlandse muziekcircuit.

Het kostte weinig moeite om een afspraak met Hans te maken. Een afspraak die bij hem thuis in Bussum plaatsvindt. In de woonkamer hangt een parachute als plafonddecoratie. Quintus en ik spreken over onze liefde voor Steely Dan, Braziliaanse muziek en onze plannen. Hans vertelt dat er geen volk is dat muzikaler is dan het Braziliaanse volk. Vanwege het harmonische vernuft en de ritmiek. En zo is het!

Hans zijn muziek is mij bekend. Zijn True Love That’s A Wonder (met die Wonder-lijke taalfout) en The Eyes of Jenny. En ik ben een groot liefhebber van zijn geweldige stem en zijn gelikte producties. Vandaar mijn voorkeur voor hem als producer.

Tijd om de demo te beluisteren. We lopen naar zijn werkkamer waar een geluidsinstallatie staat. Hans zit dicht op de boxen en wij zitten een paar meter achter hem. Tussen ons in staat een soort uitgeholde boomstam die als mega asbak dient. De cassette wordt zonder onderbreking in één keer beluisterd. Drie eigen nummers van Quintus en mijzelf. Een lied wordt door mij gezongen, Quintus zingt er twee. Het hoofd van Hans schudt ritmisch wat op en neer tijdens het luisteren. Als nummer drie Letters Without End is afgelopen, draait Hans zich om en spreekt de legendarische woorden: “Dit vind ik te gek, dit wil ik wel produceren!”

Vervolgens zien we Hans af en toe bij ons in de studio. De studio bevindt zich in een achterruimte van coffeeshop Miami in de Zoutmanstraat, Den Haag. Hans luistert naar de nieuwe dingen waar we mee bezig zijn. Het is altijd genieten als Hans langskomt. Hij straalt rust uit en vertelt prachtige verhalen over muzikanten en Nederlandse studios.

Helaas loopt mijn samenwerking met Quintus niet zo gesmeerd en ik besluit om ermee te stoppen. Tot een platendeal met een originele productie van Hans Vermeulen komt het niet.

Een paar jaar later zit ik met de Tilburgse band MAM in de studio. We zijn op zoek naar een nieuw label en hebben wat muzikaal advies nodig. Ik stel voor om Hans te bellen. Hij luistert naar onze muziek in de studio. Maar hij kan er volgens mij weinig mee, MAM wijkt teveel af van zijn muzikale focus. Kort daarna vertrekt Hans voor onbepaalde tijd naar Thailand. Nog een keer of wat kom ik hem tegen in Cafe De Bieb waar hij optreedt. Ik woon in die tijd letterlijk om de hoek in de Bilderdijkstraat. Af en toe spreek ik met Inge af, de -ex vriendin van Quintus. Zij heeft door de jaren heen een vriendschappelijk contact met Hans onderhouden.

Via Facebook heb ik af en toe contact met Hans. Op een dag zie ik op zijn profiel dat hij besloten heeft weer wat muziek te gaan maken. Hij heeft er zojuist nieuwe software voor aangeschaft: Reason. Met dit pakket werk ik ook, al jaren. Ik kan ermee lezen en schrijven en vertel Hans dat hij mij altijd om hulp kan vragen. Een paar maal doet hij dat. Mede hierdoor kom ik ook in contact met zijn zoon Tim die ook met Reason werkt. Tim en ik wisselen af en toe wat muzikale ideeën uit. Er ontstaat een voorzichtige samenwerking (zie noot).

En dan plotseling overlijdt Hans. Vandaag 9 november 2017. 70 jaar oud. Zo triest.

Rust zacht lieve man.

(en doe Walter Becker de groeten van me!)

foto onder CC BY: Jos de Gruiter

Noot: de samenwerking met Tim Vermeulen resulteert in een gitaarpartij die ik voor de track Till That Day van Tim Treffers inspeel. Luister via Spotify:

Shit nummers en shit zang

De laatste keer dat ik met een andere gitarist speelde was in 1990. Ik had mijn HEAO studio er voor aan de wilgen gehangen. En nu, 27 jaar later, stond ik in een oefenruimte in Scheveningen ineens hetzelfde te doen. Dat beloofde wat! Alleen maar eigen nummers, zo was besloten. En ik wilde zingen.

Gisteren, vijf repetities later, heeft de andere gitarist er de brui aan gegeven. Het ontbrak hem aan motivatie om toegewijd de tijd op te brengen om met de eigen nummers aan de slag te gaan. Ik zag het met hem heel erg zitten. Pijnlijk jammer dus!

Direct dacht ik dat het aan die shit nummers lag. En aan die shit zang van mij. De gitarist zei dan wel “het is puur persoonlijk en heeft niets met jullie te maken” maar wilde ‘ie ons/mij niet gewoon sparen?

Fuck it! De schaamte bestrijden, daar is het allemaal mee begonnen. Ik weet nog hoe Quintus vlak voor een optreden in De Pater in mijn oor riep: “kijk die mensen staan voor het podium maar wij staan EROP!” Met knikkende knieën op het podium staan, met een klote gevoel het podium verlaten, de twijfel, de angst, het hoort er allemaal bij. Daar is maar 1 antwoord op mogelijk: 

… and we don’t care!

Terug bij af. Alles is mogelijk. Let maar op!

Volop kansen

“Nu moet ik mijn kans grijpen!”, zei ik in mijn hoogstwaarschijnlijk 1e publieke interview evâh. Opgetekend in het oude Haagse stapperskrantje de Yesbaby. Jaar? Hoogstwaarschijnlijk 1991. In Quintus Kessler herkende ik een muzikale soul brother. Wat jaren eerder had ik hem op de Stedelijke Muziekschool ontmoet vlak nadat hij uit Rio de Janeiro was teruggekeerd. Hij was minstens zo’n grote Steely Dan fan als ik en bezat vele synthesizers en opnamespullen.

Ik zat toentertijd op de HEAO maar voelde in een split second dat ik beter de muzikale verkering met Quintus kon aangaan dan het schijnhuwelijk met de HEAO in stand te houden.

Lees verder

Zo word je echt goed

Je bent meestal niet gelijk ergens goed in. Je kunt het wel worden. Volgens velen is talent daarin essentieel. Ik denk van niet.

Van te voren zeggen dat je iets niet kunt zonder het echt te hebben geprobeerd wordt puur ingegeven door angst. Je kunt iets niet weten tenzij je het probeert. En dat proberen kan best een tijd duren. Trek er maar gerust een mensenleven voor uit.

a-muzikaal

Een tijd geleden hoorde ik een bekend muzikant vertellen over hoe hij vroeger de ene noot niet van de ander kon onderscheiden. Hij was volslagen a-muzikaal! Toch werd hij gegrepen door de liefde voor muziek en wilde hij persé gitaar leren spelen. Dit kostte hem dan ook de grootst mogelijke moeite. Maar wie had ooit kunnen bedenken dat deze Robert Fripp ooit ondermeer op de albums Heroes en Scary Monsters van David Bowie te horen zou zijn?

Er is de wil om echt goed te worden. En die wil, dat is alles, dat is jouw drive, jouw inner mountain flame. De rest, het doet er geen reet toe. En de mening van anderen? Wat denk je zelf?

Radiomaken

Ira Glass is de producer en stem van het zeer succesvolle radioprogramma This American Life. In al zijn interviews en lezingen praat Ira over Het Gat, de kloof die zit tussen de mensen die je bewondert en wie je zelf bent.

Ira werd al vrij jong gegrepen door het fenomeen radio en wilde dat ook gaan maken. Al snel kreeg hij de gelegenheid om dat te gaan doen. Maar daar waar hij andere starters in het vak al snel echt goed zag worden, bleef hij worstelen. Maar hij gaf niet op, hij wist wat hij wilde. Hij werd gedreven door smaak en een kritische houding. Hij wist wat hij zocht.

Natuurlijk is het angst. Om te zeggen dat je het niet kunt. Hoeveel angsten moet een mens zien te overwinnen in het leven? Het is niet anders tenzij je zwicht voor die angsten. Wat velen doen. Zij geven op.

Quintus

Ik had een vriend die helaas te jong is overleden. Samen hebben we diverse bands gehad. En ik weet nog goed dat we op een avond in muziekcafé De Pater in Den Haag speelden. We hadden de gitaren omgedaan en Quintus fluisterde in mijn oor: “kijk, die mensen staan allemaal voor het podium naar ons te kijken, maar wij staan òp het podium.”

quintus-marco

Daarna ging het steeds beter. En soms ook niet. Soms speelde ik zo slecht dat ik er de brui aan wilde geven. Soms voelde de kloof tussen mij en het publiek te groot. Ook al speelde ik in een uitverkocht Paradiso, of Tuitjenhorn. De plek waar het gebeurt maakt namelijk geen reet uit. Je speelt voor 1 ding en dat is de muziek. Het applaus en de aandacht, allemaal leuk en aardig maar dat is niet het ding. Het ding is de muziek. En dus geef je niet op omdat die muziek in je zit, omdat je het in je donder voelt. En omdat je er bezeten van bent en het eruit moet!

Als je een doorzetter bent dan ben je in mijn ogen een winnaar. Da’s pas echt goed.

Verbeteringsdrang

quintus-marco

Misschien kun jij je nog herinneren dat er in Nederland zoiets als dienstplicht bestond?

Voor ik het wist zat ik op de HEAO en vroeg mij af wat de F ik daar te zoeken had. Het 2e jaar maakte ik dan ook niet af. Ik ging de muziek in. Helaas hing het zwaard van de dienstplicht boven mij. Ik wist dat ik ooit een oproep zou ontvangen en dat dat een wissel op mijn toekomstplannen zou leggen. Mijn compagnon Quintus Kessler stelde voor dat ik de oproep voor dienstplicht ging aanvragen, want alleen dan kon ik er bezwaar te gaan maken. Zelf weigerde ‘ie alles toen hij na jaren in het buitenland te hebben gedeserteerd weer terug in Nederland kwam. Ze konden geen kant met hem op en lieten hem gaan.

Dat leek mij ook wel wat, dus zo gezegd, zo gedaan. Voor ik het wist zat ik in een vrachtwagen die me naar een kazerne in Ermelo bracht. Daar heb ik de hele dag verzet gepleegd in de geest van “nee ik ga je niet doodschieten en nee ik ga niet naar de kapper en nee ik trek dat achterlijke apepakkie niet aan”. Het resulteerde erin dat ik nog dezelfde dag op een andere slaapzaal apart geplaatst werd. De volgende dag kon ik naar huis. Bij de uitgang van de kazerne kreeg ik van welwillige burgermannen in vol ornaat saluten.

Mijn brein werd kort daarna gevalideerd en kreeg het stempel Erkende Gewetensbezwaren mee. Ik moest aan de vervangende dienstplicht geloven. En die was ook nog eens een paar maanden langer dan de “normale” dienstplicht, voor straf.

Maar goeds, ik legde me er maar bij neer, wat kon ik ook anders? Zodoende kwam ik bij Novib terecht. Tegenwoordig heet dat Oxfam Novib. Zodoende werd mij een werkend burgerbestaan opgedrongen. Maar goeds, de mensen waren er aardig en ik voelde me goed bij de doelstelling van Novib. Voor ik het wist raakte ik gepassioneerd om wat zaken bij Novib te verbeteren. Het was een gevoel dat niet te stoppen was. Ik werkte op de debiteuren administratie en de automatisering ervan kon nog behoorlijk verbeterd worden. Daarom kreeg ik op een gegeven moment altijd alle binnengekomen poststukken van de Postbank (nu ING) en de banken voor op mijn bureau. Begin jaren ’90 was dat, nog voordat we email gingen gebruiken.

Ik herinner me de dag nog dat ik in zo’n brief las dat de gegevens van Girotel voorzien zouden worden van Naam/Adres/Woonplaats gegevens van de klant. Deze gegevens ontving NOVIB dagelijks op een grote tape die ons mainframe kon verwerken. Voor ik het wist stelde ik mijn manager voor om een programmawijziging door te laten voeren op ons systeem zodat voortaan deze Girotel betalingen niet langer handmatig verwerkt moesten worden door 1 van onze medewerkers maar automatisch zouden “weglopen”. Het vergde slechts een kleine programma wijziging die in 1 dag doorgevoerd kon worden.

Nog diezelfde week zat ik met een programmeur deze verandering op mijn wensen door te voeren. En van de een op de andere dag liepen voortaan vrijwel alle GT-betalingen van NOVIB automatisch weg. Mijn manager stelde voor dat ik de besparing die Novib daarmee had gemaakt uitrekende. Dat bleek iets van een volledig jaarsalaris te zijn!

De kracht van automatisering was mij allang duidelijk geworden, ik gebruikte het ook bij het componeren en opnemen van muziek. Maar ook de lol om bedrijfsprocessen te verbeteren en te automatiseren ging er sindsdien bij mij niet meer uit. Ik kreeg een vaste aanstelling aangeboden en bleef er 8 jaar werken, had er diverse functies en heb vele veranderingen kunnen doorvoeren. Dat zorgde er soms voor dat ik mijn eigen werk wegautomatiseerde, wat een logisch gevolg van innovatie is. Maar ik kan me ook de medewerkers voor de geest halen die alles altijd bij het oude wilden laten. Die zouden het liefst alle centjes met de hand willen tellen. Ze waren als de dood voor die computers.

Ik ben nog steeds nauw betrokken bij de ontwikkeling van software, zoals die van Propellerhead Reason voor muziek en WordPress. Mijn handen gaan jeuken als ik denk dat er iets verbeterd kan worden. Vaak ligt het zo voor de hand. Ook merk ik bugs razendsnel op. Het is een soort niet te onderdrukken gevoel, als je het ziet dan blijf je het zien. Zoiets als een vlek. En die vlek moet dan weg.

Zo kijk ik ook naar webtechnologie vandaag de dag. Toch merk ik dat het merendeel van de mensen daar geen gevoel bij heeft. Die snappen niet hoe de processen lopen, laat staan dat ze een vertaalslag zouden kunnen maken naar eventuele veranderingen. Zij beschouwen de huidige wereld zoals hij is waar ze geen invloed op hebben. Ik weet dat voor mij het tegendeel geldt want ik heb die verbeteringsdrang wel. En er valt niet aan te ontkomen.

Stukje bij beetje muziekmaken

Atari_1040ST

Samen met wat vrienden kocht ik ooit – ik moet een jaar of 16, 17 geweest zijn – een 4-sporen recorder om muziek mee op te nemen. Alles wat je ermee opnam klonk als een demo maar je kon er prima liedjes mee opnemen. En door het beperkt aantal sporen bleven de arrangementen overzichtelijk en eenvoudig. Vrijwel alle albums van The Beatles zijn ook op 4-sporen recorders opgenomen. Het geweldige Revolver bijvoorbeeld.

Toch zijn 4-sporen best weinig. Want zet je de drums in stereo dan hou je er nog maar 2 over voor bas, gitaar en zang. En wat als je aanvullende percussie en keyboards wilt opnemen? Diverse tracks zullen dus samen opgenomen moeten worden, of je moet van het ene spoor naar het andere gaan bouncen. Dat laatste deden wij ook, maar daarmee ging de geluidskwaliteit wel achteruit want dat vergat ik nog te zeggen: die 4-sporen recorder nam op een cassettebandje op.

Wat jaren later ben ik met mijn inmiddels overleden vriend Quintus Kessler met een 8-sporen recorder gaan werken die we aan een Atari 1040ST computer koppelden. We gebruikten er ook een groot rack vol synthesizers bij. Toch was er nog steeds een groot verschil tussen het geluid dat uit onze homestudio kwam en het geluid dat we op CD’s hoorden. Helemaal tevreden waren we dus niet. In die tijd waren DDD CD’s, CD’s die van voren naar achteren digitaal opgenomen waren, het summum.

Doordat mijn vriend Conno van Wijk technicus werd in Studio BMG in Voorburg, een studio van Aad Link (manager Nits) en Robert Jan Stips (toetsenist Nits en producer van vele bandjes waaronder Gruppo Sportivo), kon ik daar ook gaan opnemen. We moeten een jaar of 19, 20 zijn geweest toen dat feest begon. De studio was een paradijs waar we uren achtereen zaten te werken aan van alles en nog wat. In Studio BMG stond een 16-sporen recorder en grote analoge mengtafel en veel synths van Robert Jan en Peter Calicher (toetsenist Gruppo Sportivo). Ik mocht dat allemaal gebruiken. Het was een speeltuin.

In die tijd was het heel normaal om de muziek stukje bij beetje op te nemen. Vaak werd eerst de begeleiding van bas en drums (vaak drumcomputer) opgenomen. En speelde de bassist een foutje dan werd er vanaf een bepaald moment “ingeprikt”. Alle fouten werden hersteld en vaak werden bijvoorbeeld gitaarpartijen heel strak gemaakt. We, Conno en ik, waren liefhebbers van het album Cupid & Psyche 85 van Scritti Politti en meer van dat soort mega strakke muziek. Slave to the Rhythm en andersoortige Trevor Horn producties. Quincy Jones’ Back in the Block album en ga zo maar door. Maar je kunt je afvragen: waarom wil je dat zelf ook?

Het was de tijdgeest denk ik. Heel veel tijd ging zitten in het editen op de Atari computer. Toch moet ik zeggen dat de groove vaak vergeten werd. We speelden eerder strak op de tel dan er omheen. HipHop daarentegen lette veel meer op die feel en grooves dan popmuziek. Luister maar naar menige popproductie uit de 80 en 90-er jaren en let op de strakheid. Veel van die muziek klinkt nu super saai in mijn oren.

Alles werd opgenomen met een clicktrack, een metronome. Die voerde de maatverdeling, niet de drummer, en maatversnellingen waren uit den boze. Ringo Starr gebruikte op de albums van de Beatles nooit een metronone. Maar mede daarom klinken ze zo geweldig “losjes”. En als je het mij vraagt klinkt de muziek uit de jaren 60 en 70 lekkerder dan de jaren erna. Uitzonderingen daargelaten, uitzonderingen die wat mij betreft te maken hebben met de groove, met de swing rondom het tempo. Met name HipHop ben ik zeer dankbaar voor het terugvinden van feel in gecomputeriseerde muziek.

Nadat mijn band MAM na de allerlaatste CD Look: Nederlands! uit elkaar was gevallen (in’94 al terwijl de CD pas in ’95 uitkwam) besloot ik me 100% op live spelen te richten. Ik was de computer compleet beu geworden en speelde een paar keer week live. In die tijd leidde ik met wat muzikanten diverse jamsessies, soms 2 per week, een in het Musicon en een in de Paap hier in Den Haag.

Inmiddels heb ik de computer weer hervonden. En natuurlijk zijn de mogelijkheden in de loop der jaren sterk verbeterd. Toch blijft het fenomeen “fouten verbeteren” aan me knagen. De computer leent zich er inmiddels zo goed voor om die foutjes te herstellen. Maar ik moet zeggen dat daarmee veel verloren gaat. De muziek wordt er statischer van. Het is niet voor niets dat HipHop vaak gebruik maakt van sleepende ritmes die achter de tel worden gespeeld. Ook zet HipHop vaak rauw klinkende samples in als kleur die het eendimensionale artificiële karakter van de computer verdoezelt en de boel levendiger maakt. Als een soort weeffout in de muziek.

Tegenwoordig is het in om alle fouten te verwijderen. Zelfs valse noten in de zang kunnen vrijwel onhoorbaar via de Autotune zuiver gemaakt worden. Veel muziek klinkt dan ook vandaag de dag gladder en strakker dan ooit. Geeft niet. Niemand heeft mij gevraagd ervan te gaan houden, maar ik ben inmiddels door schade en schande wijs geworden. Een beetje althans.

Moet ik schrijven over vroegâh?

Met een drummer op straat stond ik nog wat na te babbelen. Vandaag. Binnen hadden we een paar koppen koffie gedronken, onze kleine bijdrage om uit die fokking crisis proberen te komen. We hadden het over cafe De Bieb waar we samen weleens hadden opgetreden. Alleen vroegen we ons hardop af met welke band dat ook alweer was.

“Was dat met Robert? Of Banda Energia? Op zeker heb ik er met Janaina en Quintus gespeeld.”

Ik vertelde de drummer dat ik nooit met Janaina en Quintus samen gespeeld heb. Wel afzonderlijk. En we waren het erover eens dat het wonderlijk is hoe snel je geheugen je in de steek laat als je de 40 gepasseerd bent. Als troost haalde ik het boek Abbey Road to Ziggy Stardust van technicus Ken Scott aan. Ook Ken gaf te kennen dat hij de verhalen van vroeger met The Beatles en David Bowie “wel moest vastleggen” anders zouden ze verloren gaan. En soms moest ‘ie diep graven in zijn eigen geheugen. Feiten werden voorgelegd aan andere betrokkenen want Ken twijfelde over veel feiten. De sessie voor While My Guitar Simply Weeps van The Beatles met Eric Clapton op gitaar, hoewel Ken welliswaar achter de knoppen had gezeten, was compleet uit zijn geheugen verdwenen. Ook Clapton wist niet meer hoe het precies zat allemaal.

Waar heb ik allemaal gespeeld? En met wie? Lastige vragen. Veel ben ik inmiddels al vergeten.

Die verhalen over vroeger heb ik nooit opgeschreven. Helaas zijn sommige van de hoofdpersonen uit die verhalen inmiddels overleden, dus het dubbelchecken wordt lastig. Misschien wordt het tijd om het te gaan doen, om die verhalen op te gaan schrijven.

En ik vraag het me af, moet ik dat voor mezelf houden of moet ik die verhalen online zetten?

Toch voel ik behoorlijk wat schroom dit te gaan doen. De verhalen zitten vol privé-zaken. En moet ik de overledenen met naam en toenaam noemen? En wat te denken van illegale praktijken? Een coffeeshopeigenaar die mij te kennen gaf “origineel nog nooit wat wits” te hebben gedaan met zijn geld. Alleen maar zwarte handel. Jarenlang had ‘ie de lik gezeten voor inbraken. Daarna was ‘ie een coffeeshop begonnen waar hij zonder drankvergunning gewoon alcohol schonk.

Ik heb opgetreden in tenten waar vrijwel iedereen strak stond van de coke. En toen een oud zanger van mij een keer in de bajes een optreden moest verzorgen zat een eigenaar van een van die coke-tenten in het publiek. Eigenaren die de bak zijn ingegaan, ik ken er wel een paar. Of wat te denken van een eigenaar van een tent die gewoon elke avond een graai uit eigen kassa deed om dat geld vervolgens in een andere tent weer uit te geven. Zoiets gaat blijkbaar nog jaren goed voordat je tegen de lamp loopt. Maar ook deze vogel belandde uiteindelijk in de bak.

Ook ken ik een kroeg in Den Haag waar de eigenaresse op een avond zo lazarus was geworden tijdens haar dienst dat ze door haar eigen klanten naar huis gestuurd werd. Iedereen die vervolgens naar huis wilde gaan werd door de vaste klanten toegesproken met: “laten we wel wat centjes achter voor de bar?” Het verhaal gaat dat die avond er een megaomzet gedraaid is.

Ik speelde een keer in Brussel met een zanger die zwaar aan de dope en helemaal in de stress zat. Overigens ook met die drummer waar ik vandaag mee was. Gehesen in een tijgerprint broek keek ‘ie me tijdens het concert met holle ogen aan terwijl er steevast een druppel zweet van het puntje van zijn neus afdroop. Badend in het zweet door de dope en de stress blafte ‘ie me toe: “ik vind het helemaal kut gaan!” Hij zag en hoorde niet wat er werkelijk aan de hand was, toch probeerde ik het door te zeggen: “kijk naar het publiek man, die gaan uit hun bol!” En het was ook echt zo. Hij kon niet genieten maar die zaal vrat uit onze hand. Een legendarisch concert, waarschijnlijk door dat paradoxale. En Brussel natuurlijk.

Op een nacht in Scheveningen, ergens in een strandtent van Scheveningen na afloop van een optreden jaren geleden raakte ik in gesprek met iemand en vroeg hem: “en wat doe jij?” “Oh ik vervoer drugs met de boot van het ene eiland naar het andere eiland. Voornamelijk hash. Goeie shit. Goeie business.” Ik zal je zeggen: ik ben nooit bang geweest. Die mensen sloegen soms een arm om me heen. Of lieten een traan. Die hadden me namelijk zien spelen.

Soms stond ik ergens te spelen en riep iemand op een meter afstand van me: “spelen jullie ook reggae?” Net ff wat te hard, snap je? Maar nee dus, geen reggae. Maar dan stond zo’n gozer 15 minuten later een tientje in mijn borstzakkie te stoppen omdat ‘ie onze muziek lekker vond. Dan gingen de voetjes van de vloer en werd er een arm om de middel van zijn Barbie geslagen.

Het punt met het opschrijven van dat soort verhalen is dat het al snel een soort van memoires worden. Daar voel ik niets voor. Dat is ook mijn kritiek op het boek Sex, Blogs & Rock-‘n-Roll van Ernst-Jan Pfauth. Hoe lekker vlot het ook geschreven is, terugkijken op een stukje geschiedenis van slechts een paar jaar geleden vind ik maf. En zeker als je nog zo jong bent. Maar goeds, dat doen alle schrijvers natuurlijk. En ik ben geen schrijver, dus moet ik m’n mond misschien houden, maar toch. Op internet is het bovendien een soort van mode om heel gewichtig te doen over elke digitale poep en scheet die je gelaten hebt. Dan lullen ze over storytelling maar komen ze met verhalen aanzetten die qua opwinding op het niveau zitten van een Donald Duck.

We zijn een conservatief en braaf volk geworden en er is een groot verschil tussen vroeger en nu. Misschien alleen daarom al is het goed om die verhalen toch te gaan opschrijven. Want als je nu in een club als Paradiso een sigaret opsteekt dan wordt je seizoenskaart direct afgenomen. Laatst zag ik een gast die lazarus in Paradiso alle liedjes met Todd Rungren stond mee te brullen vanuit de zaal. Na 3 nummers werd ‘ie afgevoerd.

Vroeger in het Paard lagen er na een optreden overal peuken, gleed je je de pleuris over het bier dat op de grond lag en lagen er wat lui half stoned te pitten op de banken. Ook de band was niet meer in staat om zelfstandig naar huis te rijden. Zelfs niet per fiets. Toen ik met mijn bandje MAM jaren geleden in Vlierden, Brabant, speelde, stonden er lui soms naast het podium te pissen. Toen ik een van die gasten er na afloop over sprak, lachend natuurlijk, zei er een: “oh tijdens Normaal heb ik hier naast het podium zitten scheiten jong!”

Goeie muziek heeft een zuivere vorm

Gisteren een jaar geleden overleed mijn oude muziekmaatje Quintus Kessler op 49 jarige leeftijd. Ter nagedachtenis daarvan organiseerde zijn moeder gisteren in prachtig Den Haag aan de Cantaloupenburg een samenzijn met dierbaren.

“Ik geloof dat je een stukje van een overleden persoon in je zal blijven meedragen. Daarom wilde ik jullie uitnodigen zodat Quintus weer even bij mij is”, zo sprak ze.

Na afloop van de bijeenkomst at en dronk ik nog wat met drummer Matt Harris, Engelsman van origine (Liverpool, Beatle-town nota bene!). Tussen mij en Matt is er nog altijd een klik. Als we spelen klopt het. Swingen we. Zo zaten we al pratend en ritmisch tikkend op de tafel muzikale frases uit te wisselen. Omdat taal ongeschikt is om het precieze gevoel van muziek uit te drukken. Muziek is uiteindelijk puur een gevoel. Niet een product dat je verstandelijk kan uitleggen, maar een ongrijpbaar geheel. En ik denk dat het daarom zo mooi is. Het ongrijpbare is waar we naar verlangen.

Matt vertelde over zijn drumoefeningen. Het stelt een metronoom in en breekt vervolgens de maat in 2 tikken, dan 3 tikken, dan 4 tikken en ga zo maar door. Hierdoor krijg je de vreemdste maatsoorten. Of misschien beter: ritmische bewegingen. Want als muziek iets is dan is het ritme. Noten zonder ritme, zijn slechts geluid. Ritme is het plaatsen van noten in een tijdseenheid. En dit doet niet alleen de drummer, dit doet de hele band. Alle leden dienen mee te gaan in die groove. En als je op elkaar ingespeeld bent ontstaat er een soort druk, een luchtverschuiving die fenomenaal lekker is. Lucht die onze trommelvliezen in beweging zet als een kleine tsunami. Muziek is namelijk pure luchtdrukverschuiving. En de lekkerste muziek doet dat in een optimale flow.

Zo ook een vriend van Matt die al jaren roept: “it’s just sound man!” Iets dat Matt pas later begon te begrijpen. En gisteren begrepen we het volledig. Lucht in beweging gezet, een luchtdrukverschuiving, dat is muziek.

En we constateerden dat goeie muziek een zuivere vorm heeft. Net zo goed als beeldhouwers dat ook nastreven. Waardoor het beeld groter lijkt dan het blok waaruit het gehakt is. Net zo goed als dat een danser de ruimte invult met bewegingen die groter lijken dan waar een lichaam toe in staat is. Performance kunst occupyed als het ware de ruimte.

Matt vertelde dat zijn basis Black Music is. En dat alle Black Music swingt. Dat er swing in reggae zit die precies hetzelfde is als de swing van bijvoorbeeld bebop jazz. We tikten het op tafel ritmisch na. Ritme, het plaatsen van accenten in een tijdseenheid. Een accent via een noot of een geluid (ritmische tik). En muzikanten met een goed onderlegd ritmegevoel ondersteunen die groove tezamen. Waardoor ‘ie versterkt wordt, waardoor die luchtdruk lekker vloeit. Hier en daar een accentje leggen zodat de groove nog meer beweging krijgt. De zuiver vorm benadrukt via bepaalde accenten, bogen in het ritme, in de stuwing.

Als de beweging van de zee, van de jaargetijden, van het waaien van bomen. Het leven kan worden teruggebracht tot 1 belangrijk gegeven: de zuiver vorm. En als je goed oplet, zie, voel, hoor, ruik, proef je die groove in alles.

Lilian Vieira zong voor Quintus Kessler

Het was zover. Vandaag. Nieuw Eik en Duinen. Zijn crematie.

Lilian Vieira (Zuco 103 en heeft vaak met Quintus gespeeld) zong twee nummers voor Quintus. Niemand vertegenwoordigt in Nederland het muzikale Brazilië beter dan zij. Quintus zou het met een big smile aangehoord hebben.

Het was indrukwekkend. De stroom aan foto’s die in een slideshow gepresenteerd werd, zijn muziek die klonk, de verhalen van zijn broers en vrienden. Quintus was een soort Pieter Pan en Pietje Bel ineen. Hals over kop besloot ‘ie op zijn 19e vanuit de States naar Rio te verhuizen. Omdat ‘ie verliefd was op Brazilië. Bijna geen geld, zonder concreet doel. Brazilië was toen een echt derde wereldland. Quintus kon dat geen reet schelen. Verliefd is verliefd.

Quintus deed volslagen zijn eigen ding.

Ik heb zijn laatste opgeschreven woorden gehoord: liefde, compassie en integriteit. Op het eind accepteerde hij de dood. Door teveel te houden van het leven is het lastig de dood te accepteren, maar het lukte hem.

Sonja Barend was ook bij de rouwplechtigheid aanwezig.

De beelden van Quintus, 49 jaar, met rollator, met rolstoel, ze waren verschrikkelijk om aan te zien maar deden me tegelijkertijd beseffen hoe het echt zit. Geloof in je dromen. Hou van je dromen. En voer je dromen uit. Nu! Want ooit ga je dood.

Hij laat wat achter. Pijn, maar vooral ook hoop. Die dromen.

Gevonden geluid: Is it all a lie?

3 DEMO-tracks die ik samen met Quintus Kessler onder de naam Wouldn’t You? maakte. Hierdoor is in 1991 het contact met zanger/producer Hans Vermeulen ontstaan. Het plan was dat Hans ons eerste album zou gaan produceren. Quintus zingt. Track 1 is door mij gecomponeerd. Track 2 door Quintus. Track 3 geschreven door Quintus en mij. Arrangementen en productie is van ons beiden. Zang is van Quint. Namen van gastmusici ben ik helaas vergeten. Quintus Kessler is helaas op 17 januari 2011 overleden. Hij werd 49 jaar oud.

Is it all a lie?

All we can talk about

Letters without end