Mike Stern, gisteren

Mijn oude gitaarheld Mike Stern gaf gistermiddag een workshop bij Max Guitar, hier op Scheveningen. Dat was kicken!

Hij speelde ooit op het comeback album van Miles Davis, Man with the Horn, een onwaarschijnlijk te gekke solo in het nummer Fat Time. Een soort Hendrix-speelt-Bebop ervaring was dat. Sindsdien weet ik dat we hier met een motherfucker te maken hebben.

Fat Time was de liefdevolle koosnaam die Miles voor zijn gitarist had uitgekozen. Ik had ergens begrepen dat Mike niet 100% tevreden was over die solo en sprak hem hierover tijdens de pauze aan. “Well it was okay, but I felt we might try it again. But then Miles told me: Mike when you are at a party you must know when it’s time to leave.”

En let wel: Mike speelt altijd alles live. Ook in de studio. Het gaat om de interactie tussen de musici met de grootst mogelijke spontaniteit en energie.

Mike bleek een onwijs aardige vogel. Mooie lach en onwijs complimenteus naar iedereen om hem heen. Zichtbaar dankbaar en onverbiddelijk in zijn zucht naar het maken van muziek.

Ik vroeg hem ook hoe hij blues in de jazz verwerkte, mineur over majeur speelde. “You’ll hear it.” Hij vertelde dat Miles overal die blue notes en blues licks in stopte. Gaaf hoe die jazzcats klassieke muziek en de blues met elkaar verweven. Miles was daar een van de koplopers in.

Mike legde met nadruk uit dat muziek een taal is. En dat je, om die taal te kunnen spreken, moeite zult moeten doen om het te leren spreken. In het begin zal dat moeizaam verlopen maar later zal alles vloeiender gaan. Ook benadrukte hij dat muziek de taal van het hart is, dus uiteindelijk moet jouw gevoel de doorslag geven. Jazz is enorm gestoeld op muziektheorie en dat is een valkuil. Ook Miles Davis was altijd enorm met theorie bezig. Prima ook, want dat is de basis van al het leren, maar uiteindelijk is nog veel belangrijker hoe jij het vindt klinken.

’s Avonds trad Mike Stern op in ’t Paard, hier in het centrum. Hij had de motherfuckers Darryl Jones op bas (ook hij speelde vroeger bij Miles en tegenwoordig bij de Rolling Stones), Keith Carlock op drums (toert veel met Steely Dan) en Bob Malach op sax (speelde oa met Stevie Wonder).

Wat een giganten! Keith Carlock en Darryl Jones is gewoon een ritmesectie waar je duizend jaar U tegen moet gaan zeggen.

Mike trapte regelmatig zijn Boss DS-1 distortion pedaal in. Precies dat pedaal heb ik zelf ooit in de 80ties gekocht. Zal het door Mike komen of toeval zijn? Ik weet het niet. En dat ik tegenwoordig op een telecaster speel is misschien ook niet helemaal toevallig. Terwijl ik absoluut niet in de stijl van Stern speel. Ambieer ik ook niet. Hoewel een snufje Fat Time… daar zeg ik geen nee op!

Magie van samenspel

Als de juiste musici samenspelen ontstaat er iets magisch: de groove, een soort gezamenlijk muzikaal ademhalen. De klok wordt gelijkgezet op dezelfde hartslag.

Het magische samenspel van The Wailers, The Meters, The Band, The Beatles, Rolling Stones, Little Feat, Led Zeppelin, James Brown, The Funk Brothers en ga zo maar door is met geen mogelijk te vervangen door computers, artificiële intelligentie of wat dan ook.

Wat mij betreft is het een toonbeeld van menselijkheid, waar mensen toe in staat zijn. Samen grooven of je nu blank, zwart, jong of oud bent, het doet er niet toe, het samenspel is het enige. Muzikale verbroedering.

Aftellen en gaan.

Terwijl de tijd vervliegt in de lucht.

Jan Vollaard was zeker ongesteld of moest het worden

Jan Vollaard pende voor de NRC ondermeer het volgende:

Al te vaak klonk Keiths gitaarspel alsof er een mortiergranaat boven het samenspel van de anderen werd losgelaten.

Tuurlijk, ze zijn stokoud en niet meer zo fris en scherp als ze ooit waren. De magische dynamiek tussen Ronnie en Keith vindt zich tegenwoordig waarschijnlijk alleen nog buiten het podium af. Al jaren aait Keith de snaren als ie Gimme Shelter struikelend speelt. En af en toe slaat ie het verkeerde akkoord aan. Zoals bv hier duidelijk te horen en te zien is:

So fucking what!

De Stones hebben nooit perfectie nagestreefd. Wat dat betreft zijn het de The Beatles niet. De Stones stammen uit de blues. En ze gaan met de dag meer met hun helden samenvallen. Ze hebben eenzelfde soort slordigheid en rauwheid. En ze lachen iedereen uit. Keith al helemaal. Zo herinner ik me nog een interview van Jip Golsteijn dat ik in een jubileumuitgave van muziekkrant OOR ooit las. Het stamde uit de begin jaren 70 en Jip gaf Keith nog een paar jaar. Niet dus want Keith heeft iedereen overleefd, ook Jip.

Ronnie, de virtuoos van de 2 gitaristen, en onlangs medisch gezien ook weer helemaal in shape weten te krijgen, speelt trouwens nog best een paar puntige zeer gedoseerde solos. Ik heb de YouTube videos van het concert van gisteren hier en daar wat kunnen bekijken en het viel niet tegen. Ik heb heel veel respect voor het feit dat ze nog gewoon spelen en er lol in hebben. Het is hun leven. Een stijl die ze zelf gecreëerd hebben. En dat Keith wanneer ie een fout maakt een kop opzet van “I don’t fucking care!” Man, dat siert de man. Die houding vind ik te gek. Op zo’n leeftijd niet luisteren naar de azijnpisser die zich meneer de muziekjournalist noemt. De muzikant heeft namelijk Altijd gelijk.

Man, ik heb Miles Davis nog zien spelen toen hij zowat doodging van de pijn. Pijn in zijn heup en teveel medisch gedoe gewoon. Maar man, man, man wat een genot om Miles over dat podium te zien sjokken. Hoefde voor mij niet eens een noot te spelen. Kind of Blue all over the place. Alleen al uit zijn houding sprak een belangrijke les: trek je geen REET aan van wat ze van je zeggen. Ga door. Spelen!

Het was rock and roll die ons calvinisme eruit sloeg. Het werd fucking tijd! Opendraaien die versterker en hard aanslaan. Desnoods als je boven de 70 bent. Al zit je haar niet. Who cares!

Terug bij het begin

Midden in het proces van het produceren van een podcast zit ik op dit moment. Het moet een serie van 10 afleveringen gaan worden. Een serie over het vinden van eigenheid in de muziek. Het vinden van een artistieke ziel. Ik ben niet de hoofdpersoon in de podcast, toch gaat het ook over mij. Alles wat er gezegd wordt is onderhevig aan zelfreflectie want alles wat ik erin wil hebben en wat niet, het is allemaal aan mij om dat te bepalen.

Elke documentaire is gekleurd. Je kunt maar 1 kant opkijken met de camera en dwing je de kijker echt om ergens naar te kijken. Hij of zij ziet niet wat er naast of achter de camera gebeurt. Met audio heb je dat minder in de hand. Geluid speelt zich tenslotte als een wolk rond de microfoon af en die vangt ook het geluid van opzij en van achteren op. Een camera kan dat niet, tenzij je een moderne 360 graden camera gebruikt…

Maar goeds, waar zit mijn eigûh eigenheid als het aankomt op muziek? Ik heb de afgelopen jaren veel verkend en geëxperimenteerd op muzikaal gebied als componist, sounddesigner en uitvoerend muzikant. Veelzijdigheid is iets wat mij redelijk ligt, maar toch knaagt er iets.

De keuzes die je maakt, ze vormen je.

Ik weet nog hoe ik een jaar of 13 was en op een open dag van de Haagse Stedelijke Muziekschool aanwezig was. Als ik toen de muziek van de jazzgitaar workshop van Ferry Robers niet gehoord had was ik er ook niet aan begonnen. Dan had ik misschien gekozen voor een workshop popmuziek. Maar ik koos voor jazz.

Toen ik op mijn 16e in een schoolbandje terecht kwam begreep ik geen ene donder van de blueslicks die je over Rolling Stones songs behoorde te spelen. Hoe je over complexe jazz akkoorden moest soloren snapte ik wel. Ik speelde modaal over de Stones en het klonk voor geen meter. Que!? Bovendien swingde ik en dat is niet goed voor rock ‘n’ roll. Rock moet je hoekig, rauw en fel spelen. En in een solo moet je met een behoorlijk overstuurd geluid de gitaar laten gillen, met licks die omhoog gaan. Sizzling to the top…

De complexe harmonie van de jazz, ik ben er altijd dol op geweest. Daarom hou ik ook zo van Steely Dan. En daarom raakte ik ook verknocht aan Braziliaanse muziek. Harmonisch, melodisch en ritmisch is die muziek zo verschrikkelijk rijk. En tekstueel zijn de Brazilianen ook nog eens de grootste poëten op aarde. Een werelddeel dat op muzikaal gebied behoorlijk miskend wordt door de rest van de wereld!

Samen met Tom America heb ik de formatie ‘zegzeg’. Dat vraagt om een eenvoudige en droge aanpak wat mij betreft. Een gitaar in al zijn naaktheid, zonder poespas. Gewoon zorgvuldig gekozen noten. Geen episch gegil met veel vervorming. Geen theater en geen stoerdoenerij.

We etaleren helemaal niets behalve waar de muziek zelf om vraagt. Zoals het was op die open dag van de Stedelijke Muziekschool. Het was de muziek die me toen raakte. De rest doet er namelijk helemaal niet toe.

De Stones rollen terug

Met hun vandaag uitgekomen Blue & Lonesome keren The Rolling Stones terug naar waar ze ooit mee zijn begonnen. De blues, een muziekstijl die ondermeer door de Stones naar de UK geïmporteerd werd. Want de blues komt tenslotte uit de USA. Of nee, eigenlijk is het de muziek van tot het christendom bekeerde slaven die uit Afrika naar Amerika zijn gehaald. Daarom klinkt Malinese muziek precies als de blues, omdat daar de roots van de blues liggen, pal naast de Niger.

De Stones hebben de blues mede populair gemaakt. Ze ontlenen hun naam zelfs aan het nummer Rollin’ Stone van Muddy Waters.

Muddy vond het een enorm compliment en heeft gezegd dat hij zijn populariteit voor een groot deel aan de Stones te danken heeft.

En nu zijn ze weer terug bij af. Blue & Lonesome had een album uit de sixties kunnen zijn. Maar daar waar The Beatles creatieve innovators werden die hun eigen inspiratiebronnen overstegen, vallen de Rolling Stones gewoon geheel samen met hun oude helden zoals Muddy Walters en Howlin’ Wolf. Een stel schatrijke Engelsen dat nog altijd probeert te klinken als arme slaven die hun pijn bezingen.

Muziek heeft een verhaal nodig

Er is al zoveel muziek en er komt nog eens zoveel muziek elke minuut bij, het is simpelweg teveel. Simpelweg teveel om het allemaal te kunnen beluisteren. Simpelweg teveel om ervan te kunnen houden.

De meeste muziek valt onder de radar. Niet zozeer omdat het niet goed zou zijn – goed is relatief – maar meestal omdat het aan een goed verhaal ontbreekt rondom die muziek.

Memorabele muziek heeft een goed verhaal nodig om op te vallen en om de tijdgeest te overleven. Verhalen die vaak niet eens waar zijn en geheel een eigen leven gaan leiden.

  • Miles Davis en zijn band zou de soundtrack van de film Ascenseur Pour L’Echafaud totaal geïmproviseerd hebben terwijl de film in de studio geprojecteerd werd. Een leugen want Miles had een week voor opname alle thema’s bij elkander lopen te componeren.
  • De duizenden verhalen die je over The Beatles de ronde doen. Zoals de drugslink met “Lucy in the Sky with Diamonds” wat op het woord LSD zou duiden. Puur gelul want het hele nummer zou toch echt gebaseerd zijn op een tekening van Julian Lennon.
  • De Rolling Stones die keer op keer bij de release van een nieuw album een verhaal verzinnen om alle journalisten uit hun winterslaap te halen. Keith heeft als junk natuurlijk nog maar even te leven. Bowie en Jagger hadden ooit een liefdesaffaire. En Keith heeft wat as van zijn vader opgesnoven.
  • Tijdens de 1e uitvoering van Le Sacre du Printemps van Stravinsky zou het publiek met mekaar op de vuist zijn gegaan puur vanwege de radicale muziek en dansvoorstelling.

Drugsverhalen doen het altijd goed, met name in de popmuziek. Dat Kurt Cobain zichzelf naar de kloten geholpen heeft maakt hem voor velen juist legendarisch. Als een moderne Jezus het leed van anderen dragen, dat blijft een goed verhaal. Puur gelul natuurlijk want het was alleen zijn eigen leed en een zeer naargeestig en triest verhaal. Hetzelfde geldt voor Amy Winehouse. En maar inzoomen op dat drugs- en drankgebruik van haar door De Media. Die hele Club van 27 is sowieso een verschrikkelijke club! Mag je er trots op zijn als je toegelaten wordt tot die club omdat je op je 27e al de pijp bent uitgegaan? De nieuwe Jezussen van 27 jaar. Het zal je kind maar zijn…

Zonder een goed verhaal is muziek slechts muziek en kunnen de meeste journalisten er geen zinnig woord over vertellen. Daarom gaan muziekverhalen zelden over muziek maar vrijwel altijd over de randverschijnselen.

Omslagfoto: Michael ‘wacko’ Jackson met zijn lama